Heeft u een vraag voor het IWT? Dan bekijkt u misschien best even deze lijst met vaak gestelde vragen.
Link naar een aantal voorbeelden
a) Basiscriteria
Eenk mo is een zelfstandig bedrijf met niet meer dan 250 werknemers én met een jaaromzet van minder dan € 50 miljoen óf een balanstotaal van minder dan € 43 miljoen.
Een kleine onderneming? (ko) is een zelfstandig bedrijf met niet meer dan 50 werknemers én met een jaaromzet van minder dan € 10 miljoen of een balanstotaal van minder dan € 10 miljoen.
Een onderneming die vaststelt dat zij op het laatst afgesloten boekjaar de criteria overschrijdt, verliest de hoedanigheid van kmo (of van ko) slechts wanneer deze situatie zich gedurende twee opeenvolgende boekjaren voordoet en vice versa.
b) Zelfstandigheid
In bepaalde gevallen moeten voor de berekening van deze criteria ook de gegevens van andere ondernemingen meegeteld worden (“consolidatie”). Dit is het geval wanneer de onderneming geen zelfstandig bedrijf is.
Een bedrijf verliest zijn zelfstandigheid wanneer er een (of meer)“partneronderneming” of “verbonden onderneming” is (zijn).
c) Wat zijn partnerondernemingen?
Partnerondernemingen zijn ondernemingen waartussen een deelnemingsrelatie – direct of samen met een of meer verbonden vennootschappen – bestaat van 25% of meer van het kapitaal of de stemrechten.
Deze drempel van 25% geldt niet wanneer dat percentage in handen is van openbare participatiemaatschappijen, risicokapitaalmaatschappijen, personen die geregeld risicokapitaal beleggen of institutionele beleggers, met inbegrip van regionale ontwikkelingsfondsen, universiteiten of particuliere onderzoekscentra zonder winstoogmerk, op voorwaarde dat deze individueel noch gezamenlijk als “verbonden onderneming”, zoals hierna bedoeld, worden beschouwd.
Een participatie- of risicokapitaalmaatschappij is een onderneming die specifiek als doelstelling heeft het nemen van participaties en deelnemingen in andere ondernemingen en eventueel het al dan niet deelnemen aan het bestuur van die ondernemingen.
d) Wat zijn verbonden ondernemingen?
Een onderneming is met een andere onderneming verbonden wanneer:
a. zij over deze andere onderneming een controlebevoegdheid uitoefent
b. deze andere onderneming een controlebevoegdheid over haar uitoefent
c. zij met andere ondernemingen een consortium vormt
d. andere ondernemingen, bij weten van haar bestuursorgaan, onder de controle staan van de ondernemingen bedoeld in a), b) en c).
In afwijking van de Europese Aanbeveling worden universiteiten of particuliere onderzoekscentra zonder winstoogmerk niet als verbonden onderneming beschouwd t.o.v. de door hen opgerichte spin-offs, zelfs al bevinden zij zich in een hierboven onder a) tot d) bedoelde situatie.
e) Wat is controle?
Een onderneming heeft controle over een andere onderneming wanneer zij de juridische of feitelijke bevoegdheid heeft om een beslissende invloed uit te oefenen op de aanstelling van de meerderheid van bestuurders of zaakvoerders of op de oriëntatie van het beleid.
Er is altijd een beslissende invloed:
1° wanneer een onderneming de meerderheid van de stemrechten heeft
2° wanneer een vennoot het recht heeft de meerderheid van de bestuurders of zaakvoerders te benoemen of te ontslaan
3° wanneer een vennoot krachtens de statuten van de betrokken onderneming of krachtens met die onderneming gesloten overeenkomsten over de controlebevoegdheid beschikt
4° wanneer op grond van een overeenkomst met andere vennoten van de betrokken onderneming, een vennoot beschikt over de meerderheid van de stemrechten verbonden aan het totaal van de aandelen van die onderneming
5° in geval van gezamenlijke controle, d.w.z. controle uitgeoefend in overleg met anderen.
f) Wat is een consortium?
Er is een “consortium” wanneer verschillende ondernemingen, die geen dochtervennootschappen zijn van elkaar, noch dochtervennootschappen zijn van één en dezelfde onderneming, onder centrale leiding staan.
Een onderneming staat onder “centrale leiding”:
1° wanneer de centrale leiding van deze ondernemingen voortvloeit uit tussen deze ondernemingen gesloten overeenkomsten of uit statutaire bepalingen, of
2° wanneer hun bestuursorganen voor het merendeel bestaan uit dezelfde personen.
3° wanneer - behoudens tegenbewijs - de meerderheid van haar aandelen worden gehouden door dezelfde personen, zelfs als dit natuurlijke personen zijn.
Jaarlijks beslist IWT hoe de projecten geselecteerd worden zodat de beschikbare budgetten het best worden aangewend. Als de gevraagde steun hoger is dan de beschikbare middelen, moet tussen de aanvragen die in principe goedgekeurd werden, gekozen worden. Om te voorkomen dat in de loop van het jaar de budgettaire middelen onvoldoende zouden blijken te zijn om aan de vraag te voldoen zodat zelfs de beste projecten niet zouden kunnen gesteund worden, wordt een selectiviteitsmechanisme ingesteld.
De volledige uitleg over de wijze waarop in het lopend werkjaar prioriteiten gesteld worden t.a.v. goedgekeurde steunaanvragen, namelijk de selectiviteit kan je bij elk van de subsidies in het documenten overzicht terugvinden (zie tab documenten).
Er kan op verschillende manieren met buitenlandse organisaties samengewerkt worden:
Hieronder vindt u een voorlopige oplijsting van steunmaatregelen die onder de de-minimisregel vallen :
IWT
Vlaams Innovatiefonds (VINNOF)
Achtergestelde leningen toegekend in het kader van IWT-projecten en/of –studies, maar slechts in de mate deze gepaard gaan met een verlaagde rentevoet , d.i. de Europese referentie-interestvoet (beschikbaar op: http://ec.europa.eu/comm/competition/state_aid/legislation/reference_rates.html).
Agentschap? Ondernemen
FIT : exportsubsidies
PMV
De Waarborgregeling zou vanaf 2008 gebaseerd worden op de de-minimisverordening, maar het wijzigen van het decreet is nog niet volledig rond. Die maatregel zal wel een groot deel van het de minimis budget gebruiken.
Er geldt immers een subsidie-equivalent van 13%.vb. Als het gewaarborgde gedeelte van de lening 1.500.000 bedraagt is het subsidie-equivalent 200.000 steun en is de drempel bereikt. Dat is lineair, dus een lening van 500.000 euro, geeft 66.666 euro steun, een van 1.000.000 geeft 133.333 euro steun,...
Federaal zijn er ook de achtergestelde leningen van het Participatiefonds, die onder de de-minimis vallen.
Bij de indiening van de projectaanvraag, dient een degelijk cofinancieringsplan voorgelegd te worden. Hierin wordt beschreven op welke manier de cofinanciering zal gerealiseerd worden voor het ganse traject. Wel is het mogelijk dat bepaalde bedrijven zich reeds vanaf de aanvang van het traject (financieel) zullen engageren en andere (type) bedrijven op een later moment instappen. Dit kan afhangen van de opzet en de planning van het traject.
De 20% co-financiering wordt gezien als een maat van commitment van de doelgroepbedrijven en het gecreëerde draagvlak bij deze doelgroep. Dit is een evaluatiecriterium.
Het decreet van 13 juli 2012 betreffende Integratie van de academische hogeschoolopleidingen in de universiteiten (BS 08/11/2012) treedt in werking vanaf het academiejaar 2013-2014, d.i. vanaf 01 oktober 2013.
Tot die datum heeft deze integratiebeweging op zich geen enkele impact op de projecten in uitvoering en/of in valorisatie.
Teneinde de overdracht van de projectovereenkomsten die op 30 september 2013 nog niet beëindigd zijn, in goede banen te leiden neemt IWT deel aan een werkgroep die daartoe werd opgericht in de schoot van VLIR en VLHORA. Ook neemt het IWT contact op met de hogescholen (directieniveau). Bedoeling is om alle projectovereenkomsten te identificeren die in het kader van het decreet van 13 juli 2012 aan de universiteiten zullen worden overgedragen. Voor de projecten die op deze wijze volledig zullen overgaan, zal een gegroepeerd addendum (in de vorm van een brief) worden opgemaakt. Projecten die slechts gedeeltelijk overgaan, zullen een individueel addendum vergen. Binnen de werkgroep worden verder de krachtlijnen van de praktische aanpak voor de overdracht van de projecten vastgelegd.
Deze regeling geldt voor de projecten in de programma's Landbouw, SBO, TBM en TETRA. Wijzigingen in de samenwerkingsovereenkomsten in bedrijfsprojecten (O&O en KMO?) moeten volgens de gebruikelijke wijze aan het IWT worden gemeld en goedgekeurd (artikel 4.3 en 7.1 van de Algemene IWT-Voorwaarden). Dit moet in principe gebeuren door de betrokken bedrijven.
Voor verdere vragen i.v.m. het integratiedecreet kan u contact opnemen met Jef Van Bauwel (Tel.: 02/432 42 73 - E-mail:jvb [at] iwt [dot] be).
Het decreet van 13 juli 2012 betreffende Integratie van de academische hogeschoolopleidingen in de universiteiten (BS 08/11/2012) treedt in werking vanaf het academiejaar 2013-2014, d.i. vanaf 1 oktober 2013.
Tot die datum blijft de reguliere procedure ongewijzigd behouden. Dit betekent dat de juridische entiteit waar de onderzoeksactiviteiten op het moment van de aanvraag uitgevoerd worden (en waar dus de daaraan verbonden kosten worden gemaakt) als begunstigde? (aanvrager of partner) blijft optreden.
Als de beslissing over een aanvraag zou genomen worden voor 1 oktober 2013 en het contract zou pas na 1 oktober 2013 worden opgemaakt, kan dit bij de opmaak van de overeenkomst nog aangepast worden, voorzover er geen impact is op de inhoud van het project of de valorisatie.
Voor contracten opgemaakt voor 1 oktober 2013 geldt altijd de regeling voor lopende projecten.
Deze regeling geldt voor de projecten in de programma's Landbouw, SBO, TBM en TETRA. Wijzigingen in de samenwerkingsovereenkomsten in bedrijfsprojecten (O&O en KMO?) moeten volgens de gebruikelijke wijze aan IWT worden gemeld en goedgekeurd (artikel 4.3 en 7.1 van de Algemene IWT-Voorwaarden). Dit moet in principe gebeuren door de betrokken bedrijven.
Voor verdere vragen i.v.m. het integratiedecreet kan u contact opnemen met Jef Van Bauwel (T: 02/432 42 73 - E: jvb [at] iwt [dot] be).
Neen, kleinere (niche) sectoren zijn niet bij voorbaat uitgesloten. Er zal eerder gekeken worden of de omvang van het project in verhouding is met de grootte van de doelgroep, de resultaten die mogen verwacht worden, en de impact ervan voor de doelgroepbedrijven. Daarnaast is het belangrijk dat er voldoende absorptiecapaciteit is bij de doelgroepbedrijven, zodat een kennis- of competentieverhoging bij die bedrijven zich op termijn vertaalt in economisch toegevoegde waarde? voor de betrokken sector.
LA-trajecten kunnen niet verlengd worden. Projecten tot 4 jaar kunnen wel een uitbreiding (van max. 2 jaar) van het project aanvragen, mits verruiming van de doelstellingen en op voorwaarde dat duidelijke resultaten voorgelegd kunnen worden. Aanvragen tot uitbreiding worden in competitie met nieuwe projectvoorstellen geëvalueerd.
Een LA-traject moet binnen de opgegeven projectduur aanleiding geven tot concrete innovaties/ toepassingen. Projecten tot 6 jaar moeten bij de tussentijdse evaluatie na 4 jaar (waarvoor externe deskundigen worden ingeschakeld) reeds de nodige resultaten kunnen voorleggen. Een traject dat in hoofdzaak bestaat uit onderzoeksactiviteiten komt niet voor steun in aanmerking. Het verwerven van kennis speelt een belangrijke rol in een LA-traject, maar de doelstelling moet zijn zichtbare veranderingen teweeg te brengen bij de doelgroepbedrijven door het concreet toepassen van die kennis.
De projectduur is afhankelijk van het ‘traject’ dat nog moet afgelegd worden om tot concrete innovaties en zichtbare veranderingen bij de doelgroepbedrijven te komen. Een volledige projectduur bedraagt typisch 4 jaar, maar LA-trajecten kunnen een looptijd hebben van minimaal 2 tot maximaal 6 jaar, met een tussentijdse evaluatie om de 2 jaar.
De bezetting van een LA-traject mag in totaal maximum 8 VTE bedragen (m.a.w. voor een project van 6 jaar zijn dit 576 mm). Het aantal VTE mag echter geen streefdoel op zich zijn. Projectomvang en –budget dienen in verhouding te staan met de na te streven doelstellingen, de grootte van de te bereiken doelgroep en de te verwachten (economische) meerwaarde.
Als mede-aanvrager/uitvoerder is het bedrijf automatisch lid van de gebruikersgroep, maar zonder rechtsgeldige stem in de aansturing van het project.
Elk doelgroepbedrijf uit de agrovoedingsketen heeft de mogelijkheid om een bijdrage te leveren in de cofinanciering: individueel of via beroeps- en sectororganisaties.
Hetzelfde bedrijf kan daarnaast, voor een beperkt deel van het traject, begunstigde? worden van steun volgens de modaliteiten van de O&O-subsidieregeling (van 25 tot 55% steun, al naargelang de grootte van het bedrijf en de vorm van samenwerking). Op voorwaarde dat de activiteiten die uitgevoerd worden in het kader van het ‘bedrijfsproject’ duidelijk en correct afgelijnd worden zowel naar werkplan als budget, zodat geen vermenging kan optreden.
Indien een bedrijf dat lid is van de gebruikersgroep specifieke goederen of diensten levert, nodig voor de uitvoering van het traject, dient het bedrijf hiervoor betaald te worden en dienen deze kosten ingebracht onder de werkingskosten van het project (cfr. onderaanneming). Echter wanneer dit bedrijf bereid zou zijn om de geleverde goederen of diensten te beschouwen als een bijdrage in de cofinanciering, volstaat het als deze kosten door middel van een debet/creditnota of facturatie (incl. BTW) ondubbelzinnig aangetoond kunnen worden.
Bij de indiening van de projectaanvraag wordt een sluitend cofinancieringsplan verwacht dat gezien wordt als een maat voor de betrokkenheid van de effectieve doelgroep. De cofinanciering kan ingevuld worden op verschillende wijzen: lidgelden van leden van de gebruikersgroep, inkomsten uit de organisatie van studiedagen/workshops, vergoeding voor geleverde diensten in het kader van het opzetten en begeleiden van praktijktoepassingen,… Een belangrijk upfront financieel engagement -van verschillende schakels in de agrovoedingsketen- verdient echter aanbeveling. Dit kan bv. aangetoond worden aan de hand van gemotiveerde intentieverklaringen.
Het betrekken van niet-Vlaamse partners is mogelijk –via onderaanneming– en voor zover relevant voor de uitvoering van het project. Bij de projectaanvraag dient een motivatie en kostenraming (vanaf € 5.000) gevoegd te worden. De kosten dienen ingebracht onder de werkingskosten van het project. De organisatie die de onderaanneming uitbesteedt (d.i. de kennisinstelling) moet de voor haar toepasselijke wetgeving volgen. De geselecteerde onderaannemer? wordt een contractant van de kennisinstelling en is geen rechtstreekse begunstigde? en dus ook geen mede-ondertekenaar van de IWT-overeenkomst. Zie ook het toelichtingsdocument ‘Publiekrechtelijke verplichtingen’ op de IWT website.
Projecten die in hoofdzaak gericht zijn op innovatie bij een collectief van bedrijven uit de toeleverings- of de verwerkende industrie horen thuis in de VIS?-trajecten. Bij LA-trajecten daarentegen gaat de vraag uit van de primaire sector. De doelstelling van het programma is met name het duurzamer en competitiever maken van de Vlaamse land- en tuinbouw. Van een LA-traject wordt dan ook verwacht dat bedrijven/organisaties uit de primaire sector actief betrokken worden bij de voorbereiding van de projectaanvraag. Verder moet er tijdens de uitvoering van het traject een duidelijke kennisoverdracht zijn naar de land- en tuinbouwbedrijven die resulteert in praktijktoepassingen.
Het is inderdaad zo dat enkel kennisinstellingen (Vlaamse instellingen van hoger onderwijs, onderzoeksinstellingen en praktijkcentra) een projectaanvraag kunnen indienen voor een LA-traject. Het is mogelijk voor kennisinstellingen om samen met een collectief van bedrijven uit de toeleverings- of de verwerkende industrie LA-trajecten op te zetten. VIS?-organisaties kunnen in dit geval optreden als mede-aanvrager, en in aanmerking komen voor subsidie in het kader van de VIS-trajecten regeling (80% steun). Het budgettair aandeel moet evenwel beperkt blijven t.o.v. de totale projectbegroting van het LA-traject.
Indien een LA-traject kennis of technologie oplevert die nuttig kan zijn voor bedrijven in de toeleverings- of verwerkende industrie is er sprake van een ‘spillover’ effect. In dat geval kunnen die bedrijven de nuttige kennis/technologie in een apart innovatietraject verder ontwikkelen en vermarkten.
Het decreet van 13 juli 2012 betreffende Integratie van de academische hogeschoolopleidingen in de universiteiten (BS 08/11/2012) treedt in werking vanaf het academiejaar 2013-2014, d.i. vanaf 1 oktober 2013.
Tot die datum blijft de reguliere procedure ongewijzigd behouden. Dit betekent dat de juridische entiteit waar de onderzoeksactiviteiten op het moment van de aanvraag uitgevoerd worden (en waar dus de daaraan verbonden kosten worden gemaakt) als begunstigde?? (aanvrager of partner) blijft optreden.
Als de beslissing over een aanvraag zou genomen worden voor 1 oktober 2013 en het contract zou pas na 1 oktober 2013 worden opgemaakt, kan dit bij de opmaak van de overeenkomst nog aangepast worden, voorzover er geen impact is op de inhoud van het project of de valorisatie.
Voor contracten opgemaakt voor 1 oktober 2013 geldt altijd de regeling voor lopende projecten.
Deze regeling geldt voor de projecten in de programma's Landbouw, SBO, TBM en TETRA. Wijzigingen in de samenwerkingsovereenkomsten in bedrijfsprojecten (O&O en KMO??) moeten volgens de gebruikelijke wijze aan IWT worden gemeld en goedgekeurd (artikel 4.3 en 7.1 van de Algemene IWT-Voorwaarden). Dit moet in principe gebeuren door de betrokken bedrijven.
Voor verdere vragen i.v.m. het integratiedecreet kan u contact opnemen met Jef Van Bauwel (T: 02/432 42 73 - E: jvb [at] iwt [dot] be).
Het decreet van 13 juli 2012 betreffende Integratie van de academische hogeschoolopleidingen in de universiteiten (BS 08/11/2012) treedt in werking vanaf het academiejaar 2013-2014, d.i. vanaf 01 oktober 2013.
Tot die datum heeft deze integratiebeweging op zich geen enkele impact op de projecten in uitvoering en/of in valorisatie.
Teneinde de overdracht van de projectovereenkomsten die op 30 september 2013 nog niet beëindigd zijn, in goede banen te leiden neemt IWT deel aan een werkgroep die daartoe werd opgericht in de schoot van VLIR en VLHORA. Ook neemt het IWT contact op met de hogescholen (directieniveau). Bedoeling is om alle projectovereenkomsten te identificeren die in het kader van het decreet van 13 juli 2012 aan de universiteiten zullen worden overgedragen. Voor de projecten die op deze wijze volledig zullen overgaan, zal een gegroepeerd addendum (in de vorm van een brief) worden opgemaakt. Projecten die slechts gedeeltelijk overgaan, zullen een individueel addendum vergen. Binnen de werkgroep worden verder de krachtlijnen van de praktische aanpak voor de overdracht van de projecten vastgelegd.
Deze regeling geldt voor de projecten in de programma's Landbouw, SBO, TBM en TETRA. Wijzigingen in de samenwerkingsovereenkomsten in bedrijfsprojecten (O&O en KMO?) moeten volgens de gebruikelijke wijze aan het IWT worden gemeld en goedgekeurd (artikel 4.3 en 7.1 van de Algemene IWT-Voorwaarden). Dit moet in principe gebeuren door de betrokken bedrijven.
Voor verdere vragen i.v.m. het integratiedecreet kan u contact opnemen met Jef Van Bauwel (Tel.: 02/432 42 73 - E-mail: jvb [at] iwt [dot] be)
Het decreet van 13 juli 2012 betreffende Integratie van de academische hogeschoolopleidingen in de universiteiten (BS 08/11/2012) treedt in werking vanaf het academiejaar 2013-2014, d.i. vanaf 1 oktober 2013.
Tot die datum blijft de reguliere procedure ongewijzigd behouden. Dit betekent dat de juridische entiteit waar de onderzoeksactiviteiten op het moment van de aanvraag uitgevoerd worden (en waar dus de daaraan verbonden kosten worden gemaakt) als begunstigde?? (aanvrager of partner) blijft optreden.
Als de beslissing over een aanvraag zou genomen worden voor 1 oktober 2013 en het contract zou pas na 1 oktober 2013 worden opgemaakt, kan dit bij de opmaak van de overeenkomst nog aangepast worden, voorzover er geen impact is op de inhoud van het project of de valorisatie.
Voor contracten opgemaakt voor 1 oktober 2013 geldt altijd de regeling voor lopende projecten.
Deze regeling geldt voor de projecten in de programma's Landbouw, SBO, TBM en TETRA. Wijzigingen in de samenwerkingsovereenkomsten in bedrijfsprojecten (O&O en KMO??) moeten volgens de gebruikelijke wijze aan IWT worden gemeld en goedgekeurd (artikel 4.3 en 7.1 van de Algemene IWT-Voorwaarden). Dit moet in principe gebeuren door de betrokken bedrijven.
Voor verdere vragen i.v.m. het integratiedecreet kan u contact opnemen met Jef Van Bauwel (T: 02/432 42 73 - E: jvb [at] iwt [dot] be)
Het decreet van 13 juli 2012 betreffende Integratie van de academische hogeschoolopleidingen in de universiteiten (BS 08/11/2012) treedt in werking vanaf het academiejaar 2013-2014, d.i. vanaf 01 oktober 2013.
Tot die datum heeft deze integratiebeweging op zich geen enkele impact op de projecten in uitvoering en/of in valorisatie.
Teneinde de overdracht van de projectovereenkomsten die op 30 september 2013 nog niet beëindigd zijn, in goede banen te leiden neemt IWT deel aan een werkgroep die daartoe werd opgericht in de schoot van VLIR en VLHORA. Ook neemt het IWT contact op met de hogescholen (directieniveau). Bedoeling is om alle projectovereenkomsten te identificeren die in het kader van het decreet van 13 juli 2012 aan de universiteiten zullen worden overgedragen. Voor de projecten die op deze wijze volledig zullen overgaan, zal een gegroepeerd addendum (in de vorm van een brief) worden opgemaakt. Projecten die slechts gedeeltelijk overgaan, zullen een individueel addendum vergen. Binnen de werkgroep worden verder de krachtlijnen van de praktische aanpak voor de overdracht van de projecten vastgelegd.
Deze regeling geldt voor de projecten in de programma's Landbouw, SBO, TBM en TETRA. Wijzigingen in de samenwerkingsovereenkomsten in bedrijfsprojecten (O&O en KMO???) moeten volgens de gebruikelijke wijze aan het IWT worden gemeld en goedgekeurd (artikel 4.3 en 7.1 van de Algemene IWT-Voorwaarden). Dit moet in principe gebeuren door de betrokken bedrijven.
Voor verdere vragen i.v.m. het integratiedecreet kan u contact opnemen met Jef Van Bauwel (Tel.: 02/432 42 73 - E-mail: jvb [at] iwt [dot] be)
Het decreet van 13 juli 2012 betreffende Integratie van de academische hogeschoolopleidingen in de universiteiten (BS 08/11/2012) treedt in werking vanaf het academiejaar 2013-2014, d.i. vanaf 1 oktober 2013.
Tot die datum blijft de reguliere procedure ongewijzigd behouden. Dit betekent dat de juridische entiteit waar de onderzoeksactiviteiten op het moment van de aanvraag uitgevoerd worden (en waar dus de daaraan verbonden kosten worden gemaakt) als begunstigde? (aanvrager of partner) blijft optreden.
Als de beslissing over een aanvraag zou genomen worden voor 1 oktober 2013 en het contract zou pas na 1 oktober 2013 worden opgemaakt, kan dit bij de opmaak van de overeenkomst nog aangepast worden, voorzover er geen impact is op de inhoud van het project of de valorisatie.
Voor contracten opgemaakt voor 1 oktober 2013 geldt altijd de regeling voor lopende projecten.
Deze regeling geldt voor de projecten in de programma's Landbouw, SBO, TBM en TETRA. Wijzigingen in de samenwerkingsovereenkomsten in bedrijfsprojecten (O&O en KMO?) moeten volgens de gebruikelijke wijze aan IWT worden gemeld en goedgekeurd (artikel 4.3 en 7.1 van de Algemene IWT-Voorwaarden). Dit moet in principe gebeuren door de betrokken bedrijven.
Voor verdere vragen i.v.m. het integratiedecreet kan u contact opnemen met Jef Van Bauwel (T: 02/432 42 73 - E: jvb [at] iwt [dot] be)
Het decreet van 13 juli 2012 betreffende Integratie van de academische hogeschoolopleidingen in de universiteiten (BS 08/11/2012) treedt in werking vanaf het academiejaar 2013-2014, d.i. vanaf 01 oktober 2013.
Tot die datum heeft deze integratiebeweging op zich geen enkele impact op de projecten in uitvoering en/of in valorisatie.
Teneinde de overdracht van de projectovereenkomsten die op 30 september 2013 nog niet beëindigd zijn, in goede banen te leiden neemt IWT deel aan een werkgroep die daartoe werd opgericht in de schoot van VLIR en VLHORA. Ook neemt het IWT contact op met de hogescholen (directieniveau). Bedoeling is om alle projectovereenkomsten te identificeren die in het kader van het decreet van 13 juli 2012 aan de universiteiten zullen worden overgedragen. Voor de projecten die op deze wijze volledig zullen overgaan, zal een gegroepeerd addendum (in de vorm van een brief) worden opgemaakt. Projecten die slechts gedeeltelijk overgaan, zullen een individueel addendum vergen. Binnen de werkgroep worden verder de krachtlijnen van de praktische aanpak voor de overdracht van de projecten vastgelegd.
Deze regeling geldt voor de projecten in de programma's Landbouw, SBO, TBM en TETRA. Wijzigingen in de samenwerkingsovereenkomsten in bedrijfsprojecten (O&O en KMO??) moeten volgens de gebruikelijke wijze aan het IWT worden gemeld en goedgekeurd (artikel 4.3 en 7.1 van de Algemene IWT-Voorwaarden). Dit moet in principe gebeuren door de betrokken bedrijven.
Voor verdere vragen i.v.m. het integratiedecreet kan u contact opnemen met Jef Van Bauwel (Tel.: 02/432 42 73 - E-mail: jvb [at] iwt [dot] be)
Ja, de VGC is het enige lokale bestuur uit het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, dat aanvrager kan zijn in een proeftuinplatform of –project. Steden en gemeenten uit het Brussels Hoofdstedelijk Gewest kunnen geen aanvrager zijn.
OCMW’s worden beschouwd als een integraal deel van het bestuur indien zij zich tijdens de platform/projectuitvoering richten op bestuursactiviteiten en ze hiervoor de goedkeuring van het bestuur hebben. Voor deze bestuursactiviteiten kunnen zij (bij een positieve beslissing) gesteund worden aan 80% subsidie. Indien de OCMW’s zich tijdens de platform/projectuitvoering voornamelijk richten op activiteiten waarvoor zij zich op de vrije markt begeven, dan worden zij beschouwd als een “organisatie” en zullen zij voor deze activiteiten gesubsidieerd worden aan het subsidiepercentage voor “organisaties”.
Gezien de administratieve moeilijkheden die gepaard gaan met de vorming van de nieuwe stads- en gemeentebesturen, is het op het ogenblik van indiening (8 januari 2013) niet vereist dat de aanvragende steden/gemeenten en eventueel betrokken OCMW’s dit document reeds ondertekend bezorgd hebben aan IWT. Wel is op dat ogenblik reeds een gemotiveerde onderbouwing van de intentie tot deelname vanwege de betrokken steden/gemeenten/OCMW’s vereist. De officieel ondertekende verklaring van elke aanvragende stad/gemeente/OCMW (cfr document in aanvraagtemplate) dient wel uiterlijk 31 maart 2013 bezorgd te worden aan IWT.
