Frequently Asked Questions

Heeft u een vraag voor Agentschap Innoveren & Ondernemen? Dan bekijkt u misschien best even deze lijst met vaak gestelde vragen.

Onderstaand antwoord handelt over de concrete formele ontvankelijkheidsvereisten voor aanvragers van bedrijfsinnovatiesteun1  binnen de reguliere programma’s voor steun aan bedrijven, meer bepaald :
 

  • kmo?-haalbaarheidsstudies, kmo-innovatieprojecten;
  • Sprint-projecten;
  • O&O-bedrijfsprojecten;
  • Baekelandmandaten;
  • Bedrijfsdeel binnen Innovatiemandaten.

Bij uitbreiding zijn onderstaande ontvankelijkheidsvereisten ook van toepassing voor aanvragers van bedrijfsinnovatiesteun in het kader van individuele projecten van het Strategisch Initiatief Materialen (SIM) en deze van de Strategische Onderzoekscentra iMinds en Flanders Make.

Deze formele ontvankelijkheidscriteria gelden tenzij anders bepaald ook voor steunprogramma’s uitgewerkt in het kader van initiatieven van de Vlaamse regering al dan niet met een meer (gedeeltelijke) maatschappelijke finaliteit, zoals bvb. Proeftuinen, individuele projecten in het kader van Lichte Structuren. Meer informatie hierover is te vinden in de faq: Onder welke voorwaarden kunnen publiekrechtelijke organisaties en organisaties uit de non-profit in aanmerking komen voor steun op basis van het Besluit O&O-bedrijfssubsidie in het kader van initiatieven van de Vlaamse regering? Te vinden bij Veel gestelde vragen rond Innovatieplatformen (LS).

Voor de volledigheid vermelden we dat andere organisaties eventueel wel als onderaannemer? van een begunstigde? kunnen werken.
Het Agentschap Innoveren en Ondernemen hanteert volgende principes voor de begunstigde ondernemingen (aanvragers).

a) De onderneming moet over privaatrechtelijke of publiekrechtelijke rechtspersoonlijkheid beschikken, en haar economische activiteit moet op duurzame wijze uitgeoefend worden door middel van een vestiging in het Vlaamse Gewest. Publiekrechtelijke organisaties komen in aanmerking voor steun op basis van het Besluit O&O-Bedrijfssubsidie binnen de reguliere programma’s voor steun aan bedrijven mits vervulling van bijkomende voorwaarden (zie verder).

Ter verduidelijking volgt hier een opsomming van de meest courante vormen van rechtspersonen, die aan het ontvankelijkheidscriterium kunnen voldoen. In eerste instantie betreft het de volgende vennootschappen (met burgerlijk of handelsdoel):
 

  • vennootschap onder firma (V.O.F.)
  • gewone commanditaire vennootschap (Comm.V.)
  • besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid (B.V.B.A.)
  • coöperatieve vennootschap met beperkte aansprakelijkheid (C.V.B.A.)
  • coöperatieve vennootschap met onbeperkte aansprakelijkheid (C.V.O.A.)
  • naamloze vennootschap (N.V.)
  • commanditaire vennootschap op aandelen (Comm.V.A.)
  • economisch samenwerkingsverband (E.S.V.)


Elk van de voornoemde vennootschappen kan bovendien worden opgericht “met sociaal oogmerk”.
 

  • landbouwvennootschap (L.V.)
  • Europees economisch samenwerkingsverband (E.E.S.V.)
  • bijkantoor van buitenlandse vennootschappen
  • Belgische vereniging zonder winstoogmerk (V.Z.W.)
  • bijkantoren van buitenlandse VZW
  • stichting
  • internationale VZW
  • Europese Vennootschap (Societas Europaea, SE)
  • Europese Coöperatieve Vennootschap (SCE)


Zie ook de afzonderlijke faq over de mogelijkheden voor non-profit organisaties om bedrijfsinnovatiesteun te krijgen.

b) Rechtspersonen “in oprichting”
De aanvrager moet effectief over rechtspersoonlijkheid beschikken op het moment dat de subsidie-overeenkomst wordt ondertekend. Bij indiening van het projectvoorstel is dit bijgevolg geen vereiste (start-ups, nieuwe spin-offs in “incubatiefase”, enz.).

c) Volgende organisaties kunnen echter niet als aanvrager voor bedrijfsinnovatiesteun optreden
 

  • Universiteiten en hogescholen
  • Rechtspersonen die van overheidswege belast zijn met onderzoeksopdrachten (zoals ILVO, Instituut voor Tropische Geneeskunde, …)
  • Collectieve onderzoekcentra
  • Instellingen die beroep doen op modaliteiten en steunregelingen gericht op onderzoeksorganisaties (zoals VITO, IMEC, VIB, IMinds, universitaire ziekenhuizen, …)
  • Rechtspersonen die rechtstreeks of onrechtstreeks van voornoemde instellingen afhangen
  • VIS?-organisaties (en federaties, beroepsverenigingen, …) die beroep doen op modaliteiten en steunregelingen binnen het VIS-Besluit


d) Bijkomende voorwaarden

Niet beschikken over een wettelijk monopolie
Ondernemingen die op grond van een wettelijke bepaling beschikken over een absoluut monopolie binnen het grondgebied van het Vlaamse Gewest of binnen een wezenlijk deel daarvan, komen niet in aanmerking voor steun voor hun projecten, tenzij het project waarvoor zij steun aanvragen buiten het valorisatiegebied van dit monopolie valt.

Er is sprake van een monopolie wanneer er op de gegeven markt geen concurrentie is en/of er voor de producten en/of diensten die het betrokken bedrijf aanbiedt geen substitutiemogelijkheden of alternatieven voorhanden zijn.

Wat ingeval de organisatie een Dienst Algemeen Belang of een Dienst Algemeen Economisch Belang levert? De activiteiten die uitgevoerd worden in het kader van een Dienst Algemeen Belang vormen geen economische activiteit op een vrije markt. Ofwel omdat er geen echte marktvergoeding voorzien wordt, ofwel omdat er een (geografisch) monopolie is. Voorbeelden van dergelijke organisaties zijn: justitie, politie, onderwijs, netbeheerder waterdistributie, netbeheerder elektriciteitsdistributie enz. Hierdoor kunnen hiervoor geen subsidies aangevraagd worden op basis van het Besluit O&O-Bedrijfssubsidie.

Organisaties met een gemengde activiteit (economische activiteiten en Diensten Algemeen Belang) kunnen voor de innovaties die betrekking hebben op de economische activiteiten op de vrije markt (en waarvoor een marktvergoeding voorzien wordt) in aanmerking komen voor bedrijfsinnovatiesteun.

De activiteiten die uitgevoerd worden in het kader van een Dienst Algemeen Economisch Belang zijn economische activiteiten welke tegen marktvergoeding worden geleverd aan een publieke organisatie onder de vorm van een openbare aanbesteding.

Niet beschikken over een machtspositie
Een onderneming heeft een machtspositie wanneer zij in staat is om de instandhouding van werkelijke concurrentie te verhinderen en wanneer zij daardoor de mogelijkheid heeft om zich t.o.v. concurrenten, afnemers of leveranciers in belangrijke mate onafhankelijk te gedragen. Een onderneming beschikt over een machtspositie wanneer zij op de valorisatiemarkt waarop het project slaat een marktaandeel heeft van meer dan 50%.

In dergelijk geval wordt beoordeeld of deze machtspositie binnen de valorisatiemarkt waarop het project slaat en met name binnen het grondgebied van het Vlaamse Gewest of binnen een wezenlijk deel daarvan voldoende concurrentieverstorend kan zijn, zodat zij een voldoende reden vormt om steun te weigeren, naar analogie met een wettelijk monopolie.

e) Ondernemingen van publiek recht 

Steuntoekenning als bedrijfssteun op basis van het Besluit O&O-Bedrijfssubsidie is ook mogelijk voor ondernemingen van publiek recht in de context van een project met daadwerkelijke samenwerking met andere ondernemingen, wat impliceert dat het aandeel van de publiekrechtelijke onderneming(en) in een gesteund project niet meer kan zijn dan 70%.

Naast deze specifieke voorwaarde blijven gangbare vereisten voor toekenning van bedrijfssteun onverminderd van toepassing:

  • de eigen bijdrage aan de projectfinanciering moet gefinancierd worden met private middelen; voor bedrijven die ook een publieke opdracht hebben, moeten die in de boekhouding kunnen afgescheiden worden van de publieke middelen;
  • projecten ingediend door bedrijven met een wettelijk monopolie zijn niet ontvankelijk voor zover deze projecten zich in het monopolie situeren; projecten die buiten het monopolie vallen waarvoor het bedrijf bij valorisatie zich in een competitieve markt bevindt, zijn wel ontvankelijk;
  • om voor steun in aanmerking te komen moet bij evaluatie steeds voldaan zijn aan de doelstellingen en criteria van bedrijfssteun: het project moet zich richten naar een product, proces, of dienst met een economische doelstelling en moet voldoen aan al de selectiecriteria gesteld aan bedrijfsprojecten (inclusief economische hefboom enz…).

 


1 Dit is steun toegekend op basis van het Besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 tot regeling van de Steun aan Projecten van Onderzoek en Ontwikkeling van het Bedrijfsleven in Vlaanderen (Besluit O&O-Bedrijfssubsidie, B.S. 10.03.2009).

Ter aanvulling van de faq voor bedrijvenWelke ondernemingen kunnen aanvragen indienen voor bedrijfsinnovatiesteun” volgt hier een toelichting voor non-profit organisaties die willen deelnemen.

Privaatrechtelijke en publiekrechtelijke organisaties uit de non-profit komen in aanmerking voor subsidie voor hun onderzoeks- en ontwikkelingsactiviteiten binnen de reguliere programma’s voor steun aan bedrijven onder dezelfde voorwaarden als alle andere organisaties. Verder komen deze organisaties uit de non-profit in principe in aanmerking voor steun op basis van het Besluit O&O-Bedrijfssubsidie in het kader van initiatieven van de Vlaamse regering met (gedeeltelijke) maatschappelijke finaliteit. Zie verder in de faq: Onder welke voorwaarden kunnen publiekrechtelijke organisaties en organisaties uit de non-profit in aanmerking komen voor steun op basis van het Besluit O&O-bedrijfssubsidie in het kader van initiatieven van de Vlaamse regering? Te vinden bij "Veel gestelde vragen rond Innovatieplatformen (LS)".

Algemeen geldt

  • Er is rechtspersoonlijkheid nodig en de organisatie moet aantonen dat ze een economische activiteit uitoefent (= diensten aanbieden op een vrije markt die vergoed worden aan marktcondities) via een Vlaamse vestiging op een manier dat er kan verwacht worden dat deze voldoende structureel is (voor een langere tijd).
  • De not-for-profit organisaties moeten, zoals alle andere ondernemingen die beroep doen op bedrijfsinnovatiesteun, kunnen aantonen dat ze beschikken over voldoende private middelen om hun aandeel in het project te financieren.
  • Als een organisatie ontvankelijk is als ‘onderneming’, kan deze organisatie aanspraak doen op de kmo?-toeslag, ongeacht zijn rechtsvorm. Net zoals bij vennootschappen met een aandeelhoudersstructuur kan bij vennootschappen zonder aandeelhoudersstructuur nagegaan worden in welke mate de vennootschap zelfstandig is of deel uit maakt van een groep verbonden ondernemingen. Hierbij wordt o.a. nagegaan wat de stemrechten zijn van leden (en afhankelijkheid van die leden van andere ondernemingen), in welke mate één of enkele ondernemingen de controle uitoefenen over die vennootschap en in welke mate de onderneming onder een centrale leiding staat. De verbonden ondernemingen worden op dezelfde wijze geconsolideerd zoals gangbaar is bij vennootschappen met aandeelhoudersstructuur.

Link naar de (AANBEVELING VAN DE COMMISSIE van 6 mei 2003 betreffende de definitie van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen)

Link naar een aantal voorbeelden

a) Basiscriteria

Een kmo is een zelfstandig bedrijf met minder dan 250 werknemers én met een jaaromzet van minder dan € 50 miljoen óf een balanstotaal van minder dan € 43 miljoen.

Een kleine onderneming? (ko) is een zelfstandig bedrijf met minder dan 50 werknemers én met een jaaromzet van minder dan € 10 miljoen of een balanstotaal van minder dan € 10 miljoen.

Een onderneming die vaststelt dat zij op het laatst afgesloten boekjaar de criteria overschrijdt, verliest de hoedanigheid van kmo (of van ko) slechts wanneer deze situatie zich gedurende twee opeenvolgende boekjaren voordoet en vice versa.

b) Zelfstandigheid

In bepaalde gevallen moeten voor de berekening van deze criteria ook de gegevens van andere ondernemingen meegeteld worden (“consolidatie”).  Dit is het geval wanneer de onderneming geen zelfstandig bedrijf is.

Een bedrijf verliest zijn zelfstandigheid wanneer er een (of meer)“partneronderneming” of “verbonden onderneming” is (zijn).

c) Wat zijn partnerondernemingen?

Partnerondernemingen zijn ondernemingen waartussen een deelnemingsrelatie – direct of samen met een of meer verbonden vennootschappen – bestaat van 25% of meer van het kapitaal of de stemrechten.

Deze drempel van 25% geldt niet wanneer dat percentage in handen is van openbare participatiemaatschappijen, risicokapitaalmaatschappijen, personen die geregeld risicokapitaal beleggen of institutionele beleggers, met inbegrip van regionale ontwikkelingsfondsen, universiteiten of particuliere onderzoekscentra zonder winstoogmerk, op voorwaarde dat deze individueel noch gezamenlijk als “verbonden onderneming”, zoals hierna bedoeld, worden beschouwd.

Een participatie- of risicokapitaalmaatschappij is een onderneming die specifiek als doelstelling heeft het nemen van participaties en deelnemingen in andere ondernemingen en eventueel het al dan niet deelnemen aan het bestuur van die ondernemingen.

d) Wat zijn verbonden ondernemingen?

Verbonden ondernemingen zijn ondernemingen waartussen een deelnemingsrelatie – direct of via een andere onderneming – bestaat van meer dan 50% van het kapitaal of de stemrechten.

Wanneer ondernemingen met elkaar verbonden zijn via een natuurlijke persoon als meerderheidsaandeelhouder, wordt er geconsolideerd over die ondernemingen die zich één niveau hoger en lager in de verticale én horizontale integratieketen ten opzichte van de steunaanvragende onderneming bevinden.

 
Wanneer ondernemingen met elkaar verbonden zijn via een investeringsmaatschappij als meerderheidsaandeelhouder, wordt de consolidatiekring bepaald door de aard van de investeringsmaatschappij:

  • In het geval van een (semi)publieke investeerder zal er enkel geconsolideerd worden wanneer er een dominante invloed is in de RvB. Er is sprake van een dominante invloed wanneer de (semi)publieke investeerder de meerderheid levert van de leden van de RvB.
  • In het geval van een zuivere private investeerder (m.i.v. institutionele belegger) zal er enkel geconsolideerd worden wanneer de participatie strategisch van aard is. Een participatie is strategisch wanneer die wordt genomen uit verticale of horizontale integratieoverwegingen.
  • In het geval van een niet-zuivere private investeerder zal er steeds geconsolideerd worden. Een niet-zuivere private investeerder is een aandeelhouder met deels financiële en deels exploitatie-activiteiten.

Ter aanvulling van de faq op de website voor het bepalen van het kmo?-karakter (Voldoe ik aan de kmo-definitie? Hoe moet de kmo-definitie geïnterpreteerd worden?) volgt hier een toelichting voor ondernemingen uit de non-profit.

De basiscriteria m.b.t. het aantal werknemers en de omzet/balanstotaal blijven dezelfde:

Een mo (middelgrote onderneming?) is een zelfstandig bedrijf met niet meer dan 250 werknemers én met een jaaromzet van minder dan € 50 miljoen óf een balanstotaal van minder dan € 43 miljoen.
Een kleine onderneming? (ko) is een zelfstandig bedrijf met niet meer dan 50 werknemers én met een jaaromzet van minder dan € 10 miljoen of een balanstotaal van minder dan € 10 miljoen.

Een onderneming die vaststelt dat zij op het laatst afgesloten boekjaar de criteria overschrijdt, verliest de hoedanigheid van kmo (of van ko) slechts wanneer deze situatie zich gedurende twee opeenvolgende boekjaren voordoet en vice versa.

Ook om de zelfstandigheid van de onderneming te bepalen gelden dezelfde principes zoals beschreven in deze faq over kmo. Hiervoor kan de non-profit organisatie best volgende checks doen om het kmo-karakter te bepalen:
 

  • zeggenschap: meestal te checken via de statuten van de onderneming (in eerste instantie een check via het stemrecht op bestuursniveau, maar ook te controleren op niveau van het leden-stemrecht)
    • 1. zijn er ondernemingen die meer stemrecht hebben dan een andere onderneming (bv. doordat meerdere leden in de raad van bestuur werkzaam zijn bij 1 onderneming)
    • 2. zijn er meer dan 4 onafhankelijke leden met gelijk stemrecht (dan vervalt de consolidatievraag op vlak van leden doordat ze minder dan 25% zeggenschap hebben)
    • 3. als meer dan 25% van het zeggenschap (stemrecht) in handen is van ‘de’ overheid (gezamenlijk of apart) kan de onderneming geen kmo-statuut meer aanvragen
  • leiding: is de onderneming voor haar beslissingen afhankelijk van een centrale leiding (bv. van een (lokale) overheid, van een ‘koepelorganisatie’ die een aantal ondernemingen verenigt onder 1 label (woonzorgcentra, thuiszorgwinkels, …)
  • verbondenheid: is de onderneming zelf verbonden met andere ondernemingen (zuster-ondernemingen, moeder-ondernemingen of deelnames in andere ondernemingen ?)

Van zodra er een groter zeggenschap is van 1 onderneming, of er is sprake van een centrale leiding of er is sprake van verbonden ondernemingen, moeten de regels van de consolidatie (zie faq kmo) toegepast worden.

Bij twijfel wordt de vraag best voorgelegd aan het Agentschap Innoveren en Ondernemen.
 

Wanneer er onduidelijkheid is omtrent het al dan niet kmo? zijn van uw bedrijf bij de indiening van een steunaanvraag en indien het pas tijdens de verdere evaluatieprocedure zou blijken dat uw bedrijf toch niet aan de kmo definitie voldoet, zal het projectvoorstel toch verder behandeld worden volgens de evaluatieprocedure gangbaar binnen het kmo-programma?. Echter, het steunpercentage dat zal toegepast worden bij een eventuele positieve beslissing over uw projectvoorstel wordt niet verhoogd met een kmo-toeslag. Het moet tevens duidelijk zijn dat uw bedrijf zich achteraf niet nogmaals met een projectvoorstel kan aandienen bij het kmo-programma. Een bedrijf met meer dan 250 werknemers zal nooit binnen het kmo-programma behandeld worden.

 

Er bestaan 3 types van bedrijfsvoorheffingskorting? op de lonen van kenniswerkers. We sommen ze hierna op en vermelden op welk type kenniswerkers ze van toepassing zijn.

Types van bedrijfsvoorheffingskorting Voorwaarden mbt de personeelsleden die in aanmerking komen voor de bedrijfsheffingskorting
Personeel tewerkgesteld op O&O-project/programma en vervulling van diplomavereiste
  • Onderzoekers met diploma van doctor (in de toegepaste wetenschappen, exacte wetenschappen, geneeskunde, diergeneeskunde of in de farmaceutische wetenschappen, of van burgerlijk ingenieur)
  • Onderzoekers met masterdiploma (wetenschappen, toegepaste wetenschappen, toegepaste biologische wetenschappen, geneeskunde, diergeneeskunde, farmaceutische wetenschappen, biotechniek, architectuur, productontwikkeling)
  • NIET: mens- en sociale wetenschappen 
Personeel tewerkgesteld op een O&O-project/programma in uitvoering van samenwerkingsovereenkomst met kennisinstelling of erkende wetenschappelijke instelling?
  • Onderzoekers
  • O&O-personeel dat niet over diplomakwalificatie beschikt
Personeel tewerkgesteld door een Young Innovative Company (YIC?)
  • Wetenschappelijk personeel d.i. onderzoekers, onderzoekstechnici en projectbeheerders inzake onderzoek en ontwikkeling
  • NIET: administratief en commercieel personeel


De bedrijfsvoorheffingskorting voor personeel tewerkgesteld door een YIC is te beschouwen als staatssteun (selectieve steunmaatregel). Concreet moet voor de bepaling van het maximaal geoorloofde steunpercentage voor een specifiek O&O&I-project? rekening worden gehouden met de samengestelde steun (m.a.w. de som van selectieve steunmaatregelen: nl. YIC-steun + bedrijfssteun dient onder EU maximum te blijven). Deze samengestelde steun voor het betrokken project bestaat uit de steun in toepassing van de federale maatregel – concreet: het bedrag van de bedrijfsvoorheffingskorting voor de betrokken kenniswerkers (YIC-steun) – en de steun in toepassing van de Vlaamse maatregel – concreet de bedrijfssteun vanwege het Hermesfonds voor het betrokken O&O&I-project. Het concrete steunpercentage van de bedrijfssteun aan een O&O&I-project kan door deze combinatie mogelijks/in bepaalde gevallen gereduceerd worden.

De andere types van bedrijfsvoorheffingskorting hebben – wanneer ze gecombineerd worden met bedrijfssteun – geen gevolgen voor het steunpercentage van de bedrijfssteun aan het O&O&I-project (niet-selectieve steunmaatregelen).

Conclusies uit bovenstaand schema in het geval een bedrijf voor de personeelskosten? in een specifiek O&O&I-project de bedrijfssteun wenst te combineren met de bedrijfsvoorheffingskorting zijn de volgende:

Conclusie 1 : In combinatie met bedrijfssteun wordt best maximaal gebruik gemaakt van de volgende  steunmaatregelen van bedrijfsvoorheffingskorting om mogelijke reductie of aanpassing van de bedrijfssteun door overschrijding van het Europese toegelaten steunplafond te vermijden :
  • Indien het personeel ingezet op het betrokken O&O&I-project de diplomavereisten vervult voor toepassing van het betrokken type van maatregel van bedrijfsvoorheffingskorting, dan kan men best van het eerste type maatregel in bovenstaand schema gebruik maken.
 
  • Indien het personeel ingezet op het betrokken O&O&I-project de diplomavereisten van het betrokken type van maatregel van bedrijfsvoorheffing niet vervult, dan dient bekeken te worden of gebruik kan worden gemaakt van het type maatregel waar het bedrijf voor de uitvoering van het betrokken O&O&I-project een samenwerkingsovereenkomst heeft met een kennisinstelling of een erkende wetenschappelijke instelling (tweede type in bovenstaand schema).
Conclusie 2 : Bedrijfsvoorheffingskorting voor YICs is mogelijk voor een beperkte personeelsklasse daarnaast. Bedoeling is om dit zo beperkt mogelijk te houden om de mogelijke impact op de bedrijfssteun aan het O&O&I-project te beperken. De toepassing van deze bedrijfsvoorheffingskorting voor YICs dient duidelijk te worden aangegeven in de projectaanvraag (zie hiervoor de faq : Welke zijn de door een aanvrager van bedrijfssteun te volgen instructies ingeval van toepassing van de bedrijfsvoorheffingskorting voor Young Innovative Companies (YICs)).

Concreet betreft het dan de bezoldigingen van onderzoekers, onderzoekstechnici en projectbeheerders inzake onderzoek en ontwikkeling (zonder kwalificerend diploma) tewerkgesteld bij een YIC. Dit derde type maatregel in bovenstaand schema is te beschouwen als staatssteun wat betekent dat de cumulatie van bedrijfsvoorheffingskorting voor YICs met bedrijfssteun aan het O&O&I-project mogelijks gevolgen kan hebben voor het steunpercentage van de bedrijfssteun en dus een vermindering van deze bedrijfssteun kan inhouden.

Meer informatie in verband met de federale maatregel van bedrijfsvoorheffingkorting is te vinden op:
http://www.belspo.be/belspo/fisc/index_nl.stm (algemene informatie i.v.m. verschillende types van bedrijfsvoorheffingskorting)
http://www.belspo.be/belspo/organisation/fisc_nl.stm (met interessante faqs i.v.m. bedrijfsvoorheffingskorting).

Het Agentschap Innoveren en Ondernemen formuleert voorgaande conclusies van aanpak als advies. De uiteindelijke keuze van type van maatregel van bedrijfsvoorheffingskorting komt toe aan het betrokken bedrijf.

Het hierna volgend antwoord dient samen gelezen te worden met het antwoord op de faq : In welke mate kan bedrijfssteun, in het bijzonder steun voor personeelskosten, gecombineerd worden met de vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing op de lonen van kenniswerkers?

Indien een aanvrager enkel van de federale maatregel van bedrijfsvoorheffingskorting? kan genieten door toepassing te maken van de maatregel voor Young Innovative Companies heeft dit tot gevolg dat dit mogelijks kan leiden tot een vermindering van het steunpercentage van de bedrijfssteun voor het aangevraagde O&O&I-project?. Dit is het geval wanneer de aanvrager van bedrijfssteun geen toepassing kan maken van de andere twee (niet-selectieve) types van bedrijfsvoorheffingskorting – nl. deze verbonden aan personeel met kwalificerend diploma ofwel personeel ingezet op een project waarvoor een samenwerkingsovereenkomst met een kennisinstelling of erkende wetenschappelijke instelling? bestaat – omdat de voorwaarden hiervoor niet vervuld zijn.
De steunomvang van de federale en Vlaamse maatregelen moeten samen worden bekeken opdat de samengestelde steun aan het concrete O&O&I-project onder het maximale EU steunplafond voor staatssteun blijft. De aanvrager dient bijgevolg de toepassing op de maatregel van bedrijfsvoorheffingskorting voor YICs uitdrukkelijk te verklaren bij het indienen van de aanvraag voor bedrijfssteun. Eenzelfde meldingsplicht geldt indien de aanvrager pas na goedkeuring van de steuntoekenning aan het O&O&I-project (dus ergens in de loop van de projectuitvoering) wenst gebruik te maken van dit type van bedrijfsvoorheffingskorting.

Voor nieuwe projecten ingediend vanaf januari 2013 kunnen kosten voor activiteiten gerelateerd aan intellectuele eigendom (controle prior art en/of freedom to operate ofwel het nemen van intellectuele eigendomsrechten zelf) enkel nog in de betreffende projectaanvraag zelf worden opgenomen. De mogelijkheid van de afzonderlijke IE subsidie bestaat niet langer voor deze projecten.

In aanmerking komende kosten zijn:
 

  • Kosten voor activiteiten ter oriëntering van het project of ter vrijwaring van de exploitatie van de tijdens het project opgebouwde kennis. Typisch betreft dit opzoekingen in de databanken van intellectuele eigendomsrechten en de analyse van de opzoekingsresultaten. Deze activiteiten zijn in principe nauw verbonden met de andere O&O-activiteiten en volgen de kostenregeling van deze activiteiten. Voor zover deze kosten redelijk zijn, kunnen zowel grote bedrijven als kmo??’s ze opnemen in hun begroting onder de vorm van personeelskosten?? (als eigen deskundig personeel deze activiteiten zelf uitvoert) of werkingskosten ingeval van beroep op externen zoals de Dienst Intellectuele Eigendom bij de FOD Economie, octrooi- of merkgemachtigden, IE-consulenten, juridische kantoren, …).
  • Enkel voor kmo’s : IER-kosten (intellectuele eigendom registratie) voor activiteiten ter bescherming van de projectresultaten opgebouwd tijdens de uitvoering van het gesteund bedrijfsproject. Het gaat hier per definitie om kosten verbonden aan de formele aanvraag- of registratieprocedure van diverse intellectuele eigendomsrechten (o.m. octrooien, merken, tekeningen- en modellenbescherming, kwekersrechtcertificaten): dit zijn de kosten van de gemachtigde ter begeleiding van een aanvraagprocedure (dus: het schrijven van een octrooi, het opstellen van een aanvraag van modellenbescherming, enz.) en de officiële taksen van de aanvraagprocedure (indieningstaks, taks voor het nieuwheidsonderzoek, enz.). Aanvaardbare kosten zijn dus enkel kosten bij gespecialiseerde externen (als onderaannemingskosten). Het maximale aanvaardbare begrotingsbedrag per innovatietraject (bijv. een kmo-haalbaarheidsstudie gevolgd door een kmo-innovatieproject) voor dit type kosten is beperkt tot € 20.000. De hierop toegekende steun kan enkel en alleen voor de hier beschreven activiteiten voor IE-beschermingname aangewend worden. De kosten dienen binnen de periode van projectuitvoering te worden gemaakt (eventueel kan een beperkte verlenging van 6 tot 12 maanden voor deze IER-kosten aangevraagd worden). Bij de eindverslaggeving van het project is een kopie van effectieve indiening of registratie van het intellectuele eigendomsrecht te voegen. Verder dient de kostenregeling te worden gevolgd van de betrokken O&O-activiteiten.

Niet in aanmerking komende kosten zijn:
 

  • Jaarlijkse instandhoudingtaksen vormen nooit een aanvaardbare kost, ook niet als het betrokken intellectueel eigendomsrecht gebruikt wordt tijdens het project. Ook uitgesloten zijn kosten ter verdediging van een intellectueel eigendomsrecht in een juridisch geschil.
  • De kosten voor de aankoop of het gebruik van IE van derden (aankoop van IE of licentierechten) die de projectduur overschrijden, kunnen niet in de begroting worden opgenomen. Licentierechten specifiek voor het onderzoek en tijdens de periode van het project, indien betalend, komen eventueel wel in aanmerking.

 

De subsidies zijn in principe vrijgesteld van vennootschapsbelasting. De juridische basis hiervoor wordt gevormd door de de Wet van 25 april 2007 houdende diverse bepalingen IV (B.S. 8 mei 2007 zie bijlage). Deze vrijstelling is van toepassing op premies en subsidies die werden betekend vanaf 1 januari 2007 en voorzover de datum van betekening ten vroegste behoort tot het belastbaar tijdperk dat aan het aanslagjaar 2008 verbonden is.
In verband met boekhoudkundige en fiscale verwerking van subsidies (onder andere voor onderzoek en ontwikkeling) kan het volgende gesteld worden :
 

  • I. BOEKHOUDKUNDIG :

    Samenvattend kunnen we stellen dat de boekhoudkundige verwerking van de subsidies afhangt van de manier waarop de activa en/of de kosten waarvoor de subsidies gegeven worden, worden geboekt.
    • A. de subsidies hebben betrekking op investeringen (te activeren uitgaven).

      De subsidies worden onder de post “15” op het passief opgenomen voor het totaal verworven bedrag in het jaar van verwerving. Daarna worden de subsidies op periodieke basis via de post “753” als financiële opbrengst in de resultaten getoond volgens hetzelfde ritme als de afschrijvingen op de activa waarvoor de subsidies werden toegekend.

      De Commissie voor Boekhoudkundige Normen heeft deze methodiek uitdrukkelijk gedocumenteerd en uiteengezet in haar advies 125/8.
    • B. de subsidies hebben betrekking op in de kosten te nemen uitgaven.

      Indien de uitgaven waarvoor de subsidies werden toegekend, betrekking hebben op interesten (te boeken onder code “65”), dienen de daarop toegekende subsidies opgenomen te worden als rentesubsidies via de post “753” in hetzelfde boekjaar als de interesten geboekt worden.

      Indien de uitgaven waarvoor de subsidies werden toegekend, betrekking hebben op algemene kosten (te boeken onder code “60” tem “64”), dienen de daarop toegekende subsidies opgenomen te worden als bedrijfssubsidies via de post “74” in hetzelfde boekjaar als de algemene kosten geboekt worden.
  • II. FISCAAL

    Vanuit een fiscaal standpunt zullen de subsidies die door de gewesten worden toegekend afzonderlijk worden opgenomen in tabel I A belastbare gereserveerde winst onder punt “j) aanpassingen in meer van de begintoestand van de reserves” voor het totale bedrag aan subsidies die zijn geboekt onder de posten “753” of “74”. Op die manier zullen de kapitaalsubsidies die boekhoudkundig in de opbrengsten zijn genomen, in dat jaar fiscaal uit de belastbare basis genomen worden.
  1. Patiëntenstudies en preklinische studies worden op dezelfde basis behandeld als andere types van onderzoek. In het algemeen worden onderzoeksactiviteiten die integraal deel uitmaken van product- of procesontwikkeling bijvoorbeeld gesteund onder het regime van prototype/ontwikkeling, aan een basissteunpercentage van 25%. Na de productontwikkeling zijn in meerdere sectoren diverse testen gangbaar, zoals veldtesten, proefruns, pilootruns voor marktacceptatie, opschaling, testen voor accreditatie enz.  Deze testen worden beschouwd als natraject en worden niet gesteund.
  2. Enkel wanneer patiëntenstudies en preklinische studies primair tot doel hebben om gegevens te verzamelen die vereist zijn om productontwikkeling te sturen, maken zij deel uit van productontwikkeling en kunnen ze gesteund worden binnen dit regime. Wanneer patiëntenstudies of preklinische studies tot doel hebben om de wettelijk vereiste van registratie te ondersteunen en er geen rechtstreeks verband is met productontwikkeling, worden ze als een niet steunbare activiteit gezien.
  3. Voor medical devices kan gesteld worden dat het verzamelen van parameters van menselijke proefpersonen vereist voor ontwikkeling van het finale toestel aanvaard wordt. Wettelijk vereiste testen voor registratie van een gefinaliseerd toestel zijn niet steunbaar.
  4. Bij invasieve therapeutica wordt dezelfde logica gevolgd. Fase 0 studies behoren in deze logica tot het steunbare traject. Vroege stadia in de klinische testen zoals fase I en zelfs fase IIa kunnen deel uitmaken van een ontwikkelingstraject indien er sprake is van een eerste principebewijs. Deze situatie kan zich voordoen wanneer er een duidelijke terugkoppeling is naar productontwikkeling, m.a.w. dat gegevens van testen met een experimenteel product gebruikt worden om het product verder te optimaliseren. Dit kan zich ook voordoen wanneer er sprake is van ‘first of a kind’ of van technologieën die als ‘nieuw voor de wereld’ kunnen beschouwd worden. In het grensvlak tussen vroege steunbare testen en niet steunbare testen die een registratiedoel hebben, stelt het agentschap zich in regel soepel op naar KMO?’s die doorgaans niet over de capaciteit beschikken om het volledige traject tot marktintroductie in eigen beheer uit te voeren. Voor zo’n bedrijven kan een vroeg principebewijs een absolute vereiste zijn om de financiële middelen te verkrijgen voor verdere valorisatie. Fase III studies kunnen onder geen beding gesteund worden.
  5. In elk geval dient de totale aanvaardbare begroting voor de patiëntenstudies beperkt te blijven tot een redelijk bedrag en zullen kosten van dit type maar aanvaard worden voor zover de proportie tot de totale ontwikkelingskost beperkt blijft (in de orde van grootte van 20% van de totale aanvaardbare projectkosten).

 

Grensoverschrijdende samenwerking wordt gestimuleerd. Ze kan plaatsvinden onder verschillende vormen : 
  1. Een bedrijf kan beroep doen op een onderzoeksinstelling of een bedrijf als onderaannemer? in het buitenland. Hierbij gelden dezelfde regels als voor de Vlaamse onderzoekspartners of onderaannemers. Let wel op dat een bedrijf dat een eigen valorisatierationale heeft (die bijvoorbeeld blijkt uit het opbouwen van eigen intellectuele eigendom of exploitatie van de resultaten) of zijn eigen risico draagt, niet als een onderaannemer beschouwd wordt. De facturen die de bedrijfspartner krijgt voor de uitvoering van het project vormen binnen de regels van het kostenmodel een subsidieerbare kost.

    Wanneer het bedrijf buiten Vlaanderen met een Vlaamse bedrijfspartner verbonden is, moet dit bedrijf zijn kosten inbrengen op dezelfde manier als een Vlaams bedrijf en zijn er bijvoorbeeld geen winsttoeslagen e.d. aanvaardbaar.

    In elk geval is het zo dat maximaal 50% van de steun betrekking mag hebben op activiteiten buiten Vlaanderen.
  2. Een bedrijf kan ook samenwerken met bedrijven buiten Vlaanderen in een gemeen­schappelijk, grensoverschrijdend project, elk voor eigen rekening. Dit kan in de eerste plaats gebeuren binnen formele regelingen zoals EUREKA, ERA-netten en andere internationale instrumenten. Indien daar niet de juiste mogelijkheden worden geboden, kan naar een ad hoc oplossing gezocht worden. Het staat een bedrijf dus vrij om een dergelijke samenwerking uit te voeren, maar de kosten van dergelijke buitenlandse partijen zullen natuurlijk niet voor subsidie in aanmerking komen. De niet-Vlaamse bedrijven moeten ofwel zelf voor hun eigen kosten instaan of steun krijgen van hun overheid. Bovendien moeten de exploitatierechten van de Vlaamse bedrijven gewaarborgd blijven.

 

Alhoewel één bedrijf alleen een bedrijfsproject kan uitvoeren, zullen er dikwijls meerdere bedrijfspartners, onderzoekspartners en onderaannemers betrokken zijn. In dat geval is er dus een samenwerking, die de volgende vormen kan aannemen :
  1. Een project kan aangevraagd worden door meerdere bedrijven samen, waarbij elk bedrijf een deel van het project uitvoert, en een eigen valorisatierationale heeft. Alle bedrijven zijn in dat geval contractant (bedrijfspartner) en moeten de subsidie-overeenkomst met het Hermesfonds ondertekenen. Zij staan in voor hun aandeel in de kosten en dragen mee het risico van het project. Zij hebben elk hun deel van 'de eigendomsrechten op de projectresultaten' en zijn in principe ieder verplicht tot voldoende valorisatie van de projectresultaten in Vlaanderen. Tussen bedrijfspartners is een samenwerkingsovereenkomst vereist die de onderlinge rechten en plichten regelt. De aanvragers stellen een coördinator aan die ondermeer instaat voor de interactie met het Agentschap Innoveren en Ondernemen.
  2. In een project kan de uitvoering van bepaalde delen ook uitbesteed worden aan bedrijven als onderaannemer. De taken van onderaannemers kunnen van verschillende aard zijn, zowel kennisinbreng als eerder routinematige taken : bijvoorbeeld het uitvoeren van routine tests, het bouwen van een deel van een prototype, een deel van het programmeren, ... In het laatste geval nemen onderaannemers geen deel aan de strategie van het project en zijn bijgevolg vlot inwisselbaar. Hun kosten worden voor 100% vergoed door de opdrachtgever. De verantwoording van de kosten geschiedt via een factuur aan de opdrachtgever en de betaling ervan door deze. In geval van grote onderaannemingen zal wel een gedetailleerde verantwoording van de factuur gevraagd worden.
  3. Een project kan ook uitgevoerd worden in samenwerking met één (of meerdere) onderzoeksorganisaties als onderzoekspartner. Het gaat om een inhoudelijke samenwerking tussen bedrijf en onderzoeksorganisatie en er worden projectresultaten uit het onderzoek van deze laatste gegenereerd welke vatbaar zijn voor intellectuele eigendomsrechten. In dit geval vergoedt het bedrijf de geleverde prestatie aan reële kost en komt daarenboven een regeling overeen in de participatie van de eigendomsrechten op deze projectresultaten. De onderzoekspartner is echter geen ondertekenaar van de overeenkomst met het Hermesfonds en wordt 100% vergoed door de bedrijfspartner(s). Alle contractuele verplichtingen zijn de verantwoordelijkheid van de contractant(en). De onderzoekspartner heeft ten aanzien van het Agentschap Innoveren en Ondernemen geen verplichting tot valorisatie in Vlaanderen. Een onderlinge samenwerkingsovereenkomst tussen de contractant(en) en de onderzoekspartner(s) is vereist. Er moet een aparte begroting en een aparte financiële verslaggeving voor de onderzoekspartner(s) opgesteld worden.
  4. Een project kan ook uitgevoerd worden in samenwerking met één (of meerdere) onderzoeksorganisaties onder de vorm van een uitbesteding. Voor de prestatie van de onderzoeksorganisatie betaalt het bedrijf de marktprijs voor deze prestatie of dient het volledige kosten te vergoeden vermeerderd met een redelijke marge. De onderzoeksorganisatie is geen ondertekenaar van de overeenkomst met het Hermesfonds en wordt 100% vergoed door de bedrijfspartner(s). Alle contractuele verplichtingen zijn de verantwoordelijkheid van de contractant(en). De onderzoeksorganisatie heeft ten aanzien van het Agentschap Innoveren en Ondernemen geen verplichting tot valorisatie in Vlaanderen. De raming van de kost in de begroting is zoveel mogelijk onderbouwd met een offerte (zeker bij omvangrijke kosten voor grote onderaannemingen). De financiële verslaggeving bestaat uit facturen en betalingsbewijzen. 
Bezit u nog onvoldoende duidelijkheid omtrent het af te leggen traject om de innovatie te realiseren? Moet u nog fundamentele keuzes maken inzake in te zetten technologieën? Zijn er nog cruciale vragen te beantwoorden vooraleer u een onderbouwde beslissing kan nemen inzake het al dan niet opstarten van de ontwikkeling van het nieuwe (vernieuwende) product, proces of dienst? In dat geval voert u waarschijnlijk best eerst een kmo?-haalbaarheidsstudie uit, die u als resultaat de nodige antwoorden kan opleveren.

Heeft u daarentegen reeds een duidelijk beeld van de wijze waarop u de innovatie wenst te realiseren en/of wenst u reëel te starten met de ontwikkeling van het beoogde product, proces of dienst, dan opteert u best voor een kmo-innovatieproject. In dergelijk project wordt typisch het traject van eerste ontwerp tot een eerste beproefd concept of prototype gesteund.

 

Het Agentschap Innoveren en Ondernemen behandelt uw steunaanvraag vertrouwelijk. Het personeelsstatuut en de individuele arbeidsovereenkomsten van het personeel leggen de personeelsleden strikte geheimhouding op. Buiten de naam van uw onderneming, de projecttitel en het toegekende steunbedrag, die in het jaarlijks activiteitenverslag worden opgenomen, zal behoudens de leden van het college van deskundigen geen projectinformatie aan derden worden meegedeeld. Deze deskundigen ondertekenen voor elk individueel projectvoorstel dat zij behandelen een aparte confidentialiteitsovereenkomst.

 

De namen van de deskundigen voor uw project, worden u niet kenbaar gemaakt. Bij kmo?-innovatieprojecten wordt u wel in de mogelijkheid gesteld om zelf ook deel te nemen aan de vergadering van het college van deskundigen en uw voorstel toe te lichten. Het spreekt voor zich dat op het ogenblik van deze vergadering de deskundigen aan u zullen voorgesteld worden, maar niet eerder.

U kan ook altijd vooraf aan het Agentschap Innoveren en Ondernemen melden welke personen u zeker niet bij de beoordeling van uw projectaanvraag betrokken wenst te zien.

 

Het Hermesfonds kan onder bepaalde voorwaarden de uitbetaling van de steun opschorten en kan zelfs steun terugvorderen indien zou blijken dat de werkzaamheden binnen het project niet meer overeenstemmen met het afgesproken innovatiedoel of indien bedrog wordt vastgesteld. Nadere details hieromtrent vindt u terug in de Algemene Bepalingen Innovatiesteun kmo?-haalbaarheidsstudies of in de Algemene Voorwaarden Innovatiesteun..

 

Personeelskosten?

Het kostenmodel stelt in de eerste plaats dat kosten alleen subsidieerbaar zijn indien het gaat over reële kosten. Bijgevolg  kunnen er dus geen personeelskosten voorzien worden indien de bedrijfsleider/vennoot niet in de mogelijkheid verkeert om zich een loon uit te betalen of verkiest dit niet te doen om het bedrijf maximale kansen te geven.

Indien de bedrijfsleider/vennoot zich nu nog geen loon kan/wil uitbetalen, maar dit plant in een latere fase retroactief te doen en dit correct regelt via rekening courant, kan dit wel door het Agentschap Innoveren en Ondernemen als aanvaardbare personeelskost beschouwd worden. De rekening-courant is een boekhoudkundige manier om geld te lenen aan of van zijn vennootschap. We onderscheiden de 2 voornaamste gevallen:

  • Een zelfstandig bedrijfsleider zonder managementvennootschap:
    Hij kan beslissen om zich voorlopig geen (netto)-loon te laten uitbetalen, maar dit te boeken op een rekening-courant met het oog dit op te nemen wanneer het financieel haalbaar is voor de vennootschap. De kost die men dan boekt op de 618-rekening is een aanvaardbare personeelskost voor het agentschap op voorwaarde dat men aan het agentschap effectief kan aantonen dat het bedrag op een rekening-courant geboekt werd. Het is van belang hierbij te noteren dat men bedrijfsvoorheffing en sociale lasten verschuldigd is van zodra men iets op deze rekening boekt. Het is dus aan te raden dit  door te spreken met uw boekhouder alvorens u deze beslissing neemt.
    Bij de eindafrekening van het project volstaat het aan te tonen dat het loon op een rekening courant geboekt werd en maandelijks of trimestrieel bedrijfsvoorheffing en sociale lasten werden betaald.

Samengevat gaat het dus om een subsidieerbare kost, die eventueel in een latere fase tot uitbetalingen zal leiden. Er zijn echter fiscale consequenties aan verbonden met betrekking tot de belasting en de sociale zekerheid, zowel voor het bedrijf als voor het privévermogen van de bedrijfsleider zelf.

  • Een zelfstandig bedrijfsleider met managementvennootschap:
    De bedrijfsleider kan een factuur versturen voor geleverde prestaties naar de steun vragende vennootschap, waarvan de bedrijfsleider/vennoot eveneens aandeelhouder is. Op deze factuur kan de bedrijfsleider vermelden dat deze niet meteen hoeft betaald te worden, maar dat er een uitstel gegeven wordt van x-aantal maanden.  De fiscus vraagt wel dat er een marktconforme interest aangerekend wordt.
    Beide vennootschappen kunnen deze factuur ook boeken op een rekening-courant. 

In beide bovenstaande gevallen geldt dat de maximale aanvaardbare personeelskost begrensd wordt tot 5.000 EUR/mensmaand. In de Excel-kostentemplate worden bovenstaande gevallen best voorzien door de code ‘f’ in te geven en vervolgens de loonkost in te schatten.

 

Werkingskosten

Ook als men geen aanvaardbare personeelskosten begroot, is  het  steeds mogelijk om overige kosten (werkings-en investeringskosten, vaste kosten) te voorzien met een maximum van 40.000 EUR/VTE. Praktisch gezien duidt men hiertoe in de Excel-kostentemplate’ de code ‘o(nbezoldigd)’ aan en geeft men vervolgens aan hoeveel mensmaanden deze persoon op het project begroot wordt. Daarna kunnen de overige kosten ingegeven worden.

Voor verdere informatie kan u terecht bij de verificatiedienst van het Agentschap Innoveren en Ondernemen via verificatie [at] iwt [dot] be.

Een bedrijf mag in de laatste 3 jaar (36 maanden) voor de indieningsdatum van een Sprint-project, in geen enkel van deze 3 jaren meer dan 250.000 Euro bedrijfsinnovatiesteun (vroeger IWT-steun genaamd) toegekend gekregen hebben. In de 12 maanden nadat een sprint project werd ingediend, mag het bedrijf geen O&O-bedrijfsproject als hoofdaanvrager indienen. Steun die door de aanvrager ontvangen werd binnen ICON-projecten of projecten opgezet door lichte structuren, wordt echter niet meegeteld voor deze 250.000 Euro grens.

Indien een bedrijf een historiek heeft waardoor het volgens voorgaande regels geen sprint project kan aanvragen, doch niet erg afwijkt van deze gestelde grenzen, dan kan het Agentschap Innoveren en Ondernemen voor een specifiek geval beslissen om het bedrijf toch toe te laten tot het sprint programma. Hiervoor moet het bedrijf een motivatie aandragen, die onder meer aantoont dat het bedrijf behoort tot de doelgroep van het Sprint-programma, en dit moet onder meer verklaard kunnen worden vanuit de gesteunde projecten. Het Agentschap Innoveren en Ondernemen zal op basis hiervan een beslissing nemen.

De steun waarvan melding, betreft de steun toegekend aan het bedrijf dat de Sprint-aanvraag indient (en aan de onderaannemingen en onderzoekspartners die in deze gesteunde projecten ten laste van het bedrijf waren), maar niet de steun aan mogelijke andere bedrijfspartners in deze gesteunde projecten. De datering van de steuntoekenning wordt geplaatst op de datum van de projectaanvraag.
 

Ja, in de 12 maanden volgend op een Sprint-aanvraag kan er geen O&O-bedrijfsproject als hoofdaanvrager ingediend worden. Een volgend Sprint-project mag pas in een nieuw kalenderjaar ingediend worden.
 

Hiervoor bestaat geen eenduidig antwoord. Het Agentschap Innoveren en Ondernemen kan voor individuele gevallen beslissen om dit toe te staan. Het moeten duidelijk twee sterk afgescheiden activiteiten zijn, qua markt, technologie en operationaliteit. Minimaal moeten beide bedrijven verschillende ondernemingsnummers hebben (dus zeker geen 2 afdelingen binnen hetzelfde bedrijf) en een verschillende fysische zetel. Hiervoor moet het bedrijf een motivatie aandragen, die onder meer aantoont dat het aanvragend bedrijf voldoende onafhankelijk is van het bedrijf dat reeds steun toegekend kreeg.  Het Agentschap Innoveren en Ondernemen zal op basis hiervan een beslissing nemen.
 

Ter aanvulling van de faq voor bedrijvenWelke ondernemingen kunnen aanvragen indienen voor bedrijfsinnovatiesteun” volgt hier een toelichting voor non-profit organisaties die willen deelnemen.

Privaatrechtelijke en publiekrechtelijke organisaties uit de non-profit komen in aanmerking voor subsidie voor hun onderzoeks- en ontwikkelingsactiviteiten binnen de reguliere programma’s voor steun aan bedrijven onder dezelfde voorwaarden als alle andere organisaties. Verder komen deze organisaties uit de non-profit in principe in aanmerking voor steun op basis van het Besluit O&O-Bedrijfssubsidie in het kader van initiatieven van de Vlaamse regering met (gedeeltelijke) maatschappelijke finaliteit. Zie verder in de faq: Onder welke voorwaarden kunnen publiekrechtelijke organisaties en organisaties uit de non-profit in aanmerking komen voor steun op basis van het Besluit O&O-bedrijfssubsidie in het kader van initiatieven van de Vlaamse regering? Te vinden bij "Veel gestelde vragen rond Innovatieplatformen (LS)".

Algemeen geldt

  • Er is rechtspersoonlijkheid nodig en de organisatie moet aantonen dat ze een economische activiteit uitoefent (= diensten aanbieden op een vrije markt die vergoed worden aan marktcondities) via een Vlaamse vestiging op een manier dat er kan verwacht worden dat deze voldoende structureel is (voor een langere tijd).
  • De not-for-profit organisaties moeten, zoals alle andere ondernemingen die beroep doen op bedrijfsinnovatiesteun, kunnen aantonen dat ze beschikken over voldoende private middelen om hun aandeel in het project te financieren.
  • Als een organisatie ontvankelijk is als ‘onderneming’, kan deze organisatie aanspraak doen op de kmo?-toeslag, ongeacht zijn rechtsvorm. Net zoals bij vennootschappen met een aandeelhoudersstructuur kan bij vennootschappen zonder aandeelhoudersstructuur nagegaan worden in welke mate de vennootschap zelfstandig is of deel uit maakt van een groep verbonden ondernemingen. Hierbij wordt o.a. nagegaan wat de stemrechten zijn van leden (en afhankelijkheid van die leden van andere ondernemingen), in welke mate één of enkele ondernemingen de controle uitoefenen over die vennootschap en in welke mate de onderneming onder een centrale leiding staat. De verbonden ondernemingen worden op dezelfde wijze geconsolideerd zoals gangbaar is bij vennootschappen met aandeelhoudersstructuur.

Onderstaand antwoord handelt over de concrete formele ontvankelijkheidsvereisten voor aanvragers van bedrijfsinnovatiesteun1  binnen de reguliere programma’s voor steun aan bedrijven, meer bepaald :
 

  • kmo?-haalbaarheidsstudies, kmo-innovatieprojecten;
  • Sprint-projecten;
  • O&O-bedrijfsprojecten;
  • Baekelandmandaten;
  • Bedrijfsdeel binnen Innovatiemandaten.

Bij uitbreiding zijn onderstaande ontvankelijkheidsvereisten ook van toepassing voor aanvragers van bedrijfsinnovatiesteun in het kader van individuele projecten van het Strategisch Initiatief Materialen (SIM) en deze van de Strategische Onderzoekscentra iMinds en Flanders Make.

Deze formele ontvankelijkheidscriteria gelden tenzij anders bepaald ook voor steunprogramma’s uitgewerkt in het kader van initiatieven van de Vlaamse regering al dan niet met een meer (gedeeltelijke) maatschappelijke finaliteit, zoals bvb. Proeftuinen, individuele projecten in het kader van Lichte Structuren. Meer informatie hierover is te vinden in de faq: Onder welke voorwaarden kunnen publiekrechtelijke organisaties en organisaties uit de non-profit in aanmerking komen voor steun op basis van het Besluit O&O-bedrijfssubsidie in het kader van initiatieven van de Vlaamse regering? Te vinden bij Veel gestelde vragen rond Innovatieplatformen (LS).

Voor de volledigheid vermelden we dat andere organisaties eventueel wel als onderaannemer? van een begunstigde? kunnen werken.
Het Agentschap Innoveren en Ondernemen hanteert volgende principes voor de begunstigde ondernemingen (aanvragers).

a) De onderneming moet over privaatrechtelijke of publiekrechtelijke rechtspersoonlijkheid beschikken, en haar economische activiteit moet op duurzame wijze uitgeoefend worden door middel van een vestiging in het Vlaamse Gewest. Publiekrechtelijke organisaties komen in aanmerking voor steun op basis van het Besluit O&O-Bedrijfssubsidie binnen de reguliere programma’s voor steun aan bedrijven mits vervulling van bijkomende voorwaarden (zie verder).

Ter verduidelijking volgt hier een opsomming van de meest courante vormen van rechtspersonen, die aan het ontvankelijkheidscriterium kunnen voldoen. In eerste instantie betreft het de volgende vennootschappen (met burgerlijk of handelsdoel):
 

  • vennootschap onder firma (V.O.F.)
  • gewone commanditaire vennootschap (Comm.V.)
  • besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid (B.V.B.A.)
  • coöperatieve vennootschap met beperkte aansprakelijkheid (C.V.B.A.)
  • coöperatieve vennootschap met onbeperkte aansprakelijkheid (C.V.O.A.)
  • naamloze vennootschap (N.V.)
  • commanditaire vennootschap op aandelen (Comm.V.A.)
  • economisch samenwerkingsverband (E.S.V.)


Elk van de voornoemde vennootschappen kan bovendien worden opgericht “met sociaal oogmerk”.
 

  • landbouwvennootschap (L.V.)
  • Europees economisch samenwerkingsverband (E.E.S.V.)
  • bijkantoor van buitenlandse vennootschappen
  • Belgische vereniging zonder winstoogmerk (V.Z.W.)
  • bijkantoren van buitenlandse VZW
  • stichting
  • internationale VZW
  • Europese Vennootschap (Societas Europaea, SE)
  • Europese Coöperatieve Vennootschap (SCE)


Zie ook de afzonderlijke faq over de mogelijkheden voor non-profit organisaties om bedrijfsinnovatiesteun te krijgen.

b) Rechtspersonen “in oprichting”
De aanvrager moet effectief over rechtspersoonlijkheid beschikken op het moment dat de subsidie-overeenkomst wordt ondertekend. Bij indiening van het projectvoorstel is dit bijgevolg geen vereiste (start-ups, nieuwe spin-offs in “incubatiefase”, enz.).

c) Volgende organisaties kunnen echter niet als aanvrager voor bedrijfsinnovatiesteun optreden
 

  • Universiteiten en hogescholen
  • Rechtspersonen die van overheidswege belast zijn met onderzoeksopdrachten (zoals ILVO, Instituut voor Tropische Geneeskunde, …)
  • Collectieve onderzoekcentra
  • Instellingen die beroep doen op modaliteiten en steunregelingen gericht op onderzoeksorganisaties (zoals VITO, IMEC, VIB, IMinds, universitaire ziekenhuizen, …)
  • Rechtspersonen die rechtstreeks of onrechtstreeks van voornoemde instellingen afhangen
  • VIS?-organisaties (en federaties, beroepsverenigingen, …) die beroep doen op modaliteiten en steunregelingen binnen het VIS-Besluit


d) Bijkomende voorwaarden

Niet beschikken over een wettelijk monopolie
Ondernemingen die op grond van een wettelijke bepaling beschikken over een absoluut monopolie binnen het grondgebied van het Vlaamse Gewest of binnen een wezenlijk deel daarvan, komen niet in aanmerking voor steun voor hun projecten, tenzij het project waarvoor zij steun aanvragen buiten het valorisatiegebied van dit monopolie valt.

Er is sprake van een monopolie wanneer er op de gegeven markt geen concurrentie is en/of er voor de producten en/of diensten die het betrokken bedrijf aanbiedt geen substitutiemogelijkheden of alternatieven voorhanden zijn.

Wat ingeval de organisatie een Dienst Algemeen Belang of een Dienst Algemeen Economisch Belang levert? De activiteiten die uitgevoerd worden in het kader van een Dienst Algemeen Belang vormen geen economische activiteit op een vrije markt. Ofwel omdat er geen echte marktvergoeding voorzien wordt, ofwel omdat er een (geografisch) monopolie is. Voorbeelden van dergelijke organisaties zijn: justitie, politie, onderwijs, netbeheerder waterdistributie, netbeheerder elektriciteitsdistributie enz. Hierdoor kunnen hiervoor geen subsidies aangevraagd worden op basis van het Besluit O&O-Bedrijfssubsidie.

Organisaties met een gemengde activiteit (economische activiteiten en Diensten Algemeen Belang) kunnen voor de innovaties die betrekking hebben op de economische activiteiten op de vrije markt (en waarvoor een marktvergoeding voorzien wordt) in aanmerking komen voor bedrijfsinnovatiesteun.

De activiteiten die uitgevoerd worden in het kader van een Dienst Algemeen Economisch Belang zijn economische activiteiten welke tegen marktvergoeding worden geleverd aan een publieke organisatie onder de vorm van een openbare aanbesteding.

Niet beschikken over een machtspositie
Een onderneming heeft een machtspositie wanneer zij in staat is om de instandhouding van werkelijke concurrentie te verhinderen en wanneer zij daardoor de mogelijkheid heeft om zich t.o.v. concurrenten, afnemers of leveranciers in belangrijke mate onafhankelijk te gedragen. Een onderneming beschikt over een machtspositie wanneer zij op de valorisatiemarkt waarop het project slaat een marktaandeel heeft van meer dan 50%.

In dergelijk geval wordt beoordeeld of deze machtspositie binnen de valorisatiemarkt waarop het project slaat en met name binnen het grondgebied van het Vlaamse Gewest of binnen een wezenlijk deel daarvan voldoende concurrentieverstorend kan zijn, zodat zij een voldoende reden vormt om steun te weigeren, naar analogie met een wettelijk monopolie.

e) Ondernemingen van publiek recht 

Steuntoekenning als bedrijfssteun op basis van het Besluit O&O-Bedrijfssubsidie is ook mogelijk voor ondernemingen van publiek recht in de context van een project met daadwerkelijke samenwerking met andere ondernemingen, wat impliceert dat het aandeel van de publiekrechtelijke onderneming(en) in een gesteund project niet meer kan zijn dan 70%.

Naast deze specifieke voorwaarde blijven gangbare vereisten voor toekenning van bedrijfssteun onverminderd van toepassing:

  • de eigen bijdrage aan de projectfinanciering moet gefinancierd worden met private middelen; voor bedrijven die ook een publieke opdracht hebben, moeten die in de boekhouding kunnen afgescheiden worden van de publieke middelen;
  • projecten ingediend door bedrijven met een wettelijk monopolie zijn niet ontvankelijk voor zover deze projecten zich in het monopolie situeren; projecten die buiten het monopolie vallen waarvoor het bedrijf bij valorisatie zich in een competitieve markt bevindt, zijn wel ontvankelijk;
  • om voor steun in aanmerking te komen moet bij evaluatie steeds voldaan zijn aan de doelstellingen en criteria van bedrijfssteun: het project moet zich richten naar een product, proces, of dienst met een economische doelstelling en moet voldoen aan al de selectiecriteria gesteld aan bedrijfsprojecten (inclusief economische hefboom enz…).

 


1 Dit is steun toegekend op basis van het Besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 tot regeling van de Steun aan Projecten van Onderzoek en Ontwikkeling van het Bedrijfsleven in Vlaanderen (Besluit O&O-Bedrijfssubsidie, B.S. 10.03.2009).

De onderneming moet over rechtspersoonlijkheid beschikken, en dient een economische activiteit in het Vlaamse Gewest uit te oefenen op de vrije markt. Sommige ondernemingen die, hetzij als overheidsbedrijf, hetzij als monopolist, niet in een competitieve markt moeten opereren, kunnen enkel in aanmerking komen als ze diensten of producten willen ontwikkelen die niet onder het monopolie (zullen) vallen, en niet elders via de overheid gesubsidieerd worden.

Voor een uitgebreide toelichting, zie: Veel gestelde vragen rond de bedrijfssteun.
 

Baekeland-mandaten voorzien financiering van werknemers van een bedrijf of van een universiteit/onderzoeksorganisatie?. De subsidie die toegekend wordt voor een Baekeland-mandaat wordt gedefinieerd als een percentage van de werkelijk uitgevoerde kosten, en voorziet vergoeding voor personeelkosten en werkingskosten. Indien een vennootschap geen verifieerbare personeelskosten? kan voorleggen, kan hierop geen subsidie toegekend worden in het kader van een Baekeland-mandaat. Een opportuniteitskost kan dus niet aanvaard worden.

Een persoon kan ook via een (management)vennootschap een vergoeding ontvangen onder het statuut van zelfstandige. De effectieve kosten van dergelijke vergoeding komen eveneens voor subsidiëring in aanmerking op voorwaarde dat deze kosten verifieerbaar zijn.

Een intentieverklaring is een engagementsverklaring waarin de verschillende partijen verklaren dat ze wensen samen te werken in het kader van het projectvoorstel. Een intentieverklaring is dus eigenlijk niets meer of niets minder dan een verklaring zonder IP-regelingen, waarin de partijen zich akkoord verklaren met de indiening van de aanvraag. Deze wordt ondertekend door de projectuitvoerders, namelijk de kandidaat-mandataris, de wetenschappelijke en de industriële promotoren.

Een samenwerkingsovereenkomst daarentegen omvat alle afspraken rond IP-regeling, afspraken rond plaats van tewerkstelling, begroting, betalingsmodaliteiten, enz. Deze samenwerkingsovereenkomst dient ondertekend te worden door de gemachtigden van de kennisinstelling(en) en van het bedrijf.

Wanneer moeten deze documenten ingediend worden?
 

  • De intentieverklaring moet in ieder geval, ondertekend door de projectuitvoerders, samen met de projectaanvraag ingediend worden tegen de uiterste indieningsdatum.
  • Voor de evaluatie van een projectaanvraag is het belangrijk dat de intenties rond gebruik en transfer van resultaten (o.m. IP-afspraken) ook gekend zijn. Daarom vragen we bij indiening reeds de krijtlijnen van deze afspraken, hetzij als bijlage bij de intentieverklaring, hetzij in een samenwerkingsovereenkomst. Deze documenten moeten ondertekend worden door de gemachtigden van de kennisinstellingen en van het bedrijf, en mogen uitzonderlijk ingediend worden. De exacte datum is terug te vinden in het oproepdocument.
  • Voor positief besliste aanvragen moet de definitieve samenwerkingsovereenkomst binnen de 4 maanden na beslissing in het bezit van het Agentschap Innoveren en Ondernemen zijn. Na ontvangst en goedkeuring van deze samenwerkingsovereenkomst wordt de overeenkomst opgemaakt.

 

Hoe de kosten verdeeld worden, dient afgesproken te worden tussen de partners. Maar u dient er wel rekening mee te houden dat door de kennisinstellingen op het totaalbedrag van hun deel van de kosten (het deelbudget van de kennispartner) overhead afgenomen wordt. De som van alle indirecte kostenposten voor alle partners samen dient beperkt te worden tot maximaal 20.000 EUR per voltijds mensjaar.

Ter aanvulling van de faq voor bedrijvenWelke ondernemingen kunnen aanvragen indienen voor bedrijfsinnovatiesteun” volgt hier een toelichting voor non-profit organisaties die willen deelnemen.

Privaatrechtelijke en publiekrechtelijke organisaties uit de non-profit komen in aanmerking voor subsidie voor hun onderzoeks- en ontwikkelingsactiviteiten binnen de reguliere programma’s voor steun aan bedrijven onder dezelfde voorwaarden als alle andere organisaties. Verder komen deze organisaties uit de non-profit in principe in aanmerking voor steun op basis van het Besluit O&O-Bedrijfssubsidie in het kader van initiatieven van de Vlaamse regering met (gedeeltelijke) maatschappelijke finaliteit. Zie verder in de faq: Onder welke voorwaarden kunnen publiekrechtelijke organisaties en organisaties uit de non-profit in aanmerking komen voor steun op basis van het Besluit O&O-bedrijfssubsidie in het kader van initiatieven van de Vlaamse regering? Te vinden bij "Veel gestelde vragen rond Innovatieplatformen (LS)".

Algemeen geldt

  • Er is rechtspersoonlijkheid nodig en de organisatie moet aantonen dat ze een economische activiteit uitoefent (= diensten aanbieden op een vrije markt die vergoed worden aan marktcondities) via een Vlaamse vestiging op een manier dat er kan verwacht worden dat deze voldoende structureel is (voor een langere tijd).
  • De not-for-profit organisaties moeten, zoals alle andere ondernemingen die beroep doen op bedrijfsinnovatiesteun, kunnen aantonen dat ze beschikken over voldoende private middelen om hun aandeel in het project te financieren.
  • Als een organisatie ontvankelijk is als ‘onderneming’, kan deze organisatie aanspraak doen op de kmo?-toeslag, ongeacht zijn rechtsvorm. Net zoals bij vennootschappen met een aandeelhoudersstructuur kan bij vennootschappen zonder aandeelhoudersstructuur nagegaan worden in welke mate de vennootschap zelfstandig is of deel uit maakt van een groep verbonden ondernemingen. Hierbij wordt o.a. nagegaan wat de stemrechten zijn van leden (en afhankelijkheid van die leden van andere ondernemingen), in welke mate één of enkele ondernemingen de controle uitoefenen over die vennootschap en in welke mate de onderneming onder een centrale leiding staat. De verbonden ondernemingen worden op dezelfde wijze geconsolideerd zoals gangbaar is bij vennootschappen met aandeelhoudersstructuur.

Onderstaand antwoord handelt over de concrete formele ontvankelijkheidsvereisten voor aanvragers van bedrijfsinnovatiesteun1  binnen de reguliere programma’s voor steun aan bedrijven, meer bepaald :
 

  • kmo?-haalbaarheidsstudies, kmo-innovatieprojecten;
  • Sprint-projecten;
  • O&O-bedrijfsprojecten;
  • Baekelandmandaten;
  • Bedrijfsdeel binnen Innovatiemandaten.

Bij uitbreiding zijn onderstaande ontvankelijkheidsvereisten ook van toepassing voor aanvragers van bedrijfsinnovatiesteun in het kader van individuele projecten van het Strategisch Initiatief Materialen (SIM) en deze van de Strategische Onderzoekscentra iMinds en Flanders Make.

Deze formele ontvankelijkheidscriteria gelden tenzij anders bepaald ook voor steunprogramma’s uitgewerkt in het kader van initiatieven van de Vlaamse regering al dan niet met een meer (gedeeltelijke) maatschappelijke finaliteit, zoals bvb. Proeftuinen, individuele projecten in het kader van Lichte Structuren. Meer informatie hierover is te vinden in de faq: Onder welke voorwaarden kunnen publiekrechtelijke organisaties en organisaties uit de non-profit in aanmerking komen voor steun op basis van het Besluit O&O-bedrijfssubsidie in het kader van initiatieven van de Vlaamse regering? Te vinden bij Veel gestelde vragen rond Innovatieplatformen (LS).

Voor de volledigheid vermelden we dat andere organisaties eventueel wel als onderaannemer? van een begunstigde? kunnen werken.
Het Agentschap Innoveren en Ondernemen hanteert volgende principes voor de begunstigde ondernemingen (aanvragers).

a) De onderneming moet over privaatrechtelijke of publiekrechtelijke rechtspersoonlijkheid beschikken, en haar economische activiteit moet op duurzame wijze uitgeoefend worden door middel van een vestiging in het Vlaamse Gewest. Publiekrechtelijke organisaties komen in aanmerking voor steun op basis van het Besluit O&O-Bedrijfssubsidie binnen de reguliere programma’s voor steun aan bedrijven mits vervulling van bijkomende voorwaarden (zie verder).

Ter verduidelijking volgt hier een opsomming van de meest courante vormen van rechtspersonen, die aan het ontvankelijkheidscriterium kunnen voldoen. In eerste instantie betreft het de volgende vennootschappen (met burgerlijk of handelsdoel):
 

  • vennootschap onder firma (V.O.F.)
  • gewone commanditaire vennootschap (Comm.V.)
  • besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid (B.V.B.A.)
  • coöperatieve vennootschap met beperkte aansprakelijkheid (C.V.B.A.)
  • coöperatieve vennootschap met onbeperkte aansprakelijkheid (C.V.O.A.)
  • naamloze vennootschap (N.V.)
  • commanditaire vennootschap op aandelen (Comm.V.A.)
  • economisch samenwerkingsverband (E.S.V.)


Elk van de voornoemde vennootschappen kan bovendien worden opgericht “met sociaal oogmerk”.
 

  • landbouwvennootschap (L.V.)
  • Europees economisch samenwerkingsverband (E.E.S.V.)
  • bijkantoor van buitenlandse vennootschappen
  • Belgische vereniging zonder winstoogmerk (V.Z.W.)
  • bijkantoren van buitenlandse VZW
  • stichting
  • internationale VZW
  • Europese Vennootschap (Societas Europaea, SE)
  • Europese Coöperatieve Vennootschap (SCE)


Zie ook de afzonderlijke faq over de mogelijkheden voor non-profit organisaties om bedrijfsinnovatiesteun te krijgen.

b) Rechtspersonen “in oprichting”
De aanvrager moet effectief over rechtspersoonlijkheid beschikken op het moment dat de subsidie-overeenkomst wordt ondertekend. Bij indiening van het projectvoorstel is dit bijgevolg geen vereiste (start-ups, nieuwe spin-offs in “incubatiefase”, enz.).

c) Volgende organisaties kunnen echter niet als aanvrager voor bedrijfsinnovatiesteun optreden
 

  • Universiteiten en hogescholen
  • Rechtspersonen die van overheidswege belast zijn met onderzoeksopdrachten (zoals ILVO, Instituut voor Tropische Geneeskunde, …)
  • Collectieve onderzoekcentra
  • Instellingen die beroep doen op modaliteiten en steunregelingen gericht op onderzoeksorganisaties (zoals VITO, IMEC, VIB, IMinds, universitaire ziekenhuizen, …)
  • Rechtspersonen die rechtstreeks of onrechtstreeks van voornoemde instellingen afhangen
  • VIS?-organisaties (en federaties, beroepsverenigingen, …) die beroep doen op modaliteiten en steunregelingen binnen het VIS-Besluit


d) Bijkomende voorwaarden

Niet beschikken over een wettelijk monopolie
Ondernemingen die op grond van een wettelijke bepaling beschikken over een absoluut monopolie binnen het grondgebied van het Vlaamse Gewest of binnen een wezenlijk deel daarvan, komen niet in aanmerking voor steun voor hun projecten, tenzij het project waarvoor zij steun aanvragen buiten het valorisatiegebied van dit monopolie valt.

Er is sprake van een monopolie wanneer er op de gegeven markt geen concurrentie is en/of er voor de producten en/of diensten die het betrokken bedrijf aanbiedt geen substitutiemogelijkheden of alternatieven voorhanden zijn.

Wat ingeval de organisatie een Dienst Algemeen Belang of een Dienst Algemeen Economisch Belang levert? De activiteiten die uitgevoerd worden in het kader van een Dienst Algemeen Belang vormen geen economische activiteit op een vrije markt. Ofwel omdat er geen echte marktvergoeding voorzien wordt, ofwel omdat er een (geografisch) monopolie is. Voorbeelden van dergelijke organisaties zijn: justitie, politie, onderwijs, netbeheerder waterdistributie, netbeheerder elektriciteitsdistributie enz. Hierdoor kunnen hiervoor geen subsidies aangevraagd worden op basis van het Besluit O&O-Bedrijfssubsidie.

Organisaties met een gemengde activiteit (economische activiteiten en Diensten Algemeen Belang) kunnen voor de innovaties die betrekking hebben op de economische activiteiten op de vrije markt (en waarvoor een marktvergoeding voorzien wordt) in aanmerking komen voor bedrijfsinnovatiesteun.

De activiteiten die uitgevoerd worden in het kader van een Dienst Algemeen Economisch Belang zijn economische activiteiten welke tegen marktvergoeding worden geleverd aan een publieke organisatie onder de vorm van een openbare aanbesteding.

Niet beschikken over een machtspositie
Een onderneming heeft een machtspositie wanneer zij in staat is om de instandhouding van werkelijke concurrentie te verhinderen en wanneer zij daardoor de mogelijkheid heeft om zich t.o.v. concurrenten, afnemers of leveranciers in belangrijke mate onafhankelijk te gedragen. Een onderneming beschikt over een machtspositie wanneer zij op de valorisatiemarkt waarop het project slaat een marktaandeel heeft van meer dan 50%.

In dergelijk geval wordt beoordeeld of deze machtspositie binnen de valorisatiemarkt waarop het project slaat en met name binnen het grondgebied van het Vlaamse Gewest of binnen een wezenlijk deel daarvan voldoende concurrentieverstorend kan zijn, zodat zij een voldoende reden vormt om steun te weigeren, naar analogie met een wettelijk monopolie.

e) Ondernemingen van publiek recht 

Steuntoekenning als bedrijfssteun op basis van het Besluit O&O-Bedrijfssubsidie is ook mogelijk voor ondernemingen van publiek recht in de context van een project met daadwerkelijke samenwerking met andere ondernemingen, wat impliceert dat het aandeel van de publiekrechtelijke onderneming(en) in een gesteund project niet meer kan zijn dan 70%.

Naast deze specifieke voorwaarde blijven gangbare vereisten voor toekenning van bedrijfssteun onverminderd van toepassing:

  • de eigen bijdrage aan de projectfinanciering moet gefinancierd worden met private middelen; voor bedrijven die ook een publieke opdracht hebben, moeten die in de boekhouding kunnen afgescheiden worden van de publieke middelen;
  • projecten ingediend door bedrijven met een wettelijk monopolie zijn niet ontvankelijk voor zover deze projecten zich in het monopolie situeren; projecten die buiten het monopolie vallen waarvoor het bedrijf bij valorisatie zich in een competitieve markt bevindt, zijn wel ontvankelijk;
  • om voor steun in aanmerking te komen moet bij evaluatie steeds voldaan zijn aan de doelstellingen en criteria van bedrijfssteun: het project moet zich richten naar een product, proces, of dienst met een economische doelstelling en moet voldoen aan al de selectiecriteria gesteld aan bedrijfsprojecten (inclusief economische hefboom enz…).

 


1 Dit is steun toegekend op basis van het Besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 tot regeling van de Steun aan Projecten van Onderzoek en Ontwikkeling van het Bedrijfsleven in Vlaanderen (Besluit O&O-Bedrijfssubsidie, B.S. 10.03.2009).

Er kan op verschillende manieren met buitenlandse organisaties samengewerkt worden:

  • Niet-Vlaamse bedrijven kunnen lid zijn van de gebruikerscommissie en kunnen financieel bijdragen in een deel van de niet-gesubsidieerde kost.
  • Niet-gefinancierde buitenlandse onderzoekscentra kunnen als uitvoerder bij een collectief project betrokken worden. Dezelfde regels die gelden voor Vlaamse kenniscentra zijn van toepassing.
  • Samenwerkingen met buitenlandse (gefinancierde) kennis/onderzoekscentra kunnen ook uitgevoerd worden in het kader van een ERA-CORNET?-project. Binnen CORNET, een ERA-NET? dat zich situeert op het vlak van de bevordering van internationale netwerking en samenwerking rond collectief onderzoek, worden regelmatig oproepen voor transnationale collectieve onderzoeksprojectvoorstellen gelanceerd. Om deel te nemen aan dergelijke oproepen zijn minstens drie partners vanuit drie verschillende deelnemende landen en/of regio’s vereist. Meer informatie is terug te vinden op de website www.cornet-era.net.

 

Hiernavolgende tekst is bedoeld ter verdere uitklaring van de IPR-aspecten zowel in individuele projecten van collectief onderzoek, meer bepaald in samenwerkingsprojecten tussen een VIS? en een onderzoeksinstelling die onder het VIS-Besluit vallen, als in VIS-trajecten die één of meerdere aspecten van collectief onderzoek kunnen omvatten. Verder dient ook verwezen te worden naar het toelichtingsdocument ‘gebruik van resultaten van gesteunde projecten’, dat nog meer achtergrondinfo bevat en de algemene voorwaarden onder meer voor wat betreft definities.

Alvorens in te gaan op de IPR-aspecten is het nuttig om de context en de rationale van projecten van VIS-collectief onderzoek onder de aandacht te brengen. ‘Collectief onderzoek’, dat zijn onderzoek en studies, gericht op het verwerven, bundelen en vertalen van kennis naar bruikbare innovatietoepassingen ten behoeve van een ruime collectiviteit van bedrijven. Het gaat hier meestal om vrij generieke kennis, die moeilijk te verwerven is voor een individueel bedrijf, maar waarvoor het onderzoek door de aanvragers, zijnde een samenwerkingsverband van bedrijven, wordt uitbesteed naar een onderzoekscentrum met de nodige expertise. Deze kennis kan een individueel bedrijf dan nadien in een eigen traject valoriseren. Als zodanig sluiten deze projecten dan ook uit dat expliciet gestreefd zou worden naar uitsluitingsrechten, i.e. intellectuele eigendomsrechten.

Projecten collectief onderzoek worden 80% gesubsidieerd door de overheid, en 20% door het Vlaams Innovatiesamenwerkingsverband dat zich hiervoor tot de doelgroepbedrijven wendt. Het indienende samenwerkingsverband van bedrijven beschikt over de nodige rechten om het in staat te stellen te voldoen aan vanuit de overheid opgelegde plicht om de kennis ruim te verspreiden (wat het hoge subsidie % verantwoordt).

De onderstaande toelichting betreft samenwerkingsprojecten van VIS-CO waarin een VIS en een onderzoekscentrum betrokken zijn.
 

  • De VIS beschikt over de projectresultaten om deze vervolgens te verspreiden naar een zo ruim mogelijke groep van (doelgroep)bedrijven of om als achtergrondkennis te gebruiken. Indien het samenwerkingsverband (VIS) toch intellectuele eigendomsrechten opbouwt op basis van het collectief onderzoek, dient het, overeenkomstig het VIS-besluit, eventuele licenties te verlenen aan gelijke (toegankelijke) voorwaarden.
  • De opgedane kennis tijdens een CO-project kan door de uitvoerende onderzoeksinstelling verder gebruikt worden als achtergrondkennis.

    Wanneer de onderzoeksinstelling de kennis zelf wenst te valoriseren, dient zij dit te doen in overleg met het VIS, en met uitdrukkelijke toestemming van het VIS, dit onder andere om onnodige ontdubbeling en/of inadequate concurrentie te vermijden. Het VIS zal de opstart van een eigen valorisatietraject door de onderzoeksinstelling niet weigeren op onredelijke grond en zal zo’n vraag enkel weigeren op grond van een onderbouwd mogelijk conflict met het toepassingsdomein en de valorisatieopdracht van het VIS. Ten einde discussies over de afbakening van het toepassingsdomein te vermijden is het opportuun dat hier goede afspraken gemaakt worden bij de voorbereiding van de projectaanvraag. De onderzoeksinstelling moet er in elk geval over waken dat de valorisatieplannen van de VIS gevrijwaard blijven. Zij dient haar valorisatie-activiteit ook uit te voeren met toepassing van de principes van het VIS-Besluit.

    Indien de mogelijkheid zich voordoet voor een valorisatie aan niet collectieve voorwaarden kan dit aanvaard worden mits ad hoc akkoord door het Agentschap Innoveren en Ondernemen zoals vermeld in het toelichtingsdocument - Gebruik van resultaten van gesteunde projecten.

 

Het document met de uitleg bij de basisprincipes van de de-minimisregel voor de subsidies uit het VIS?-programma kan u terugvinden als toelichtingsdocument bij de subsidies onder de tab documenten.

Indien een bedrijf specifieke goederen of diensten levert, nodig voor de uitvoering van het project dient het bedrijf hiervoor betaald te worden. Deze kosten dienen steeds ingebracht te worden onder de werkingskosten van het project (cf. onderaanneming). Wanneer het bedrijf deze kost wil inbrengen als een bijdrage in de cofinanciering, moet deze kost door middel van een debet/creditnota of facturatie (incl. BTW) ondubbelzinnig aangetoond kunnen worden.

Voorbeeld: Een korting op een toestel kan ingebracht worden als cofinanciering.
In de werkingsmiddelen wordt dan de volledige prijs van het toestel opgenomen. De ‘korting’ wordt in het cofinancieringsplan van de aanvraag opgenomen en moet achteraf boekhoudkundig traceerbaar zijn (zowel bij de aanvrager/uitvoerder van het traject als bij de leverancier).

In principe wordt de subsidie in voorschotten aan de aanvragende VIS? (begunstigde?) uitgekeerd. Indien samengewerkt wordt tussen verschillende organisaties (VIS’sen onderling of VIS’sen met onderzoeksinstellingen), worden de financieringsafspraken geregeld in samenwerkingsovereenkomsten. In elk geval worden de kosten van onderzoeksinstellingen integraal door de begunstigden betaald.
 

Er staat geen limiet op het aantal ingediende VIS?-trajecten per jaar. Er wordt wel verwacht dat indieners zelf prioriteiten stellen en zodanig onnodige administratieve last beperken.

Coöperatief en collectief onderzoek hebben een totaal verschillende finaliteit. Er dient vooraf goed gekeken te worden wat de doelstellingen van een project zijn en in welk kader deze het best passen. VIS?-trajecten worden gesteund onder het VIS-besluit. Het doel is om innovatie te stimuleren via ondersteuning van activiteiten met een collectief karakter die het individueel bedrijfsbelang overstijgen en kunnen gevaloriseerd worden naar een zo breed mogelijke groep bedrijven. Projecten die gericht zijn naar een beperkt aantal bedrijven worden coöperatief genoemd en worden in andere kanalen ingediend (bv. O&O bedrijfsprojecten of kmo-programma?). In coöperatieve projecten ligt de eigendom van de projectresultaten bij de indienende bedrijven, daar waar bij collectieve projecten een brede verspreidingsplicht geldt voor het VIS. Daarnaast zijn de steunpercentages en de regelgeving voor subsidies anders : collectieve projecten vallen onder de de-minimis? regelgeving, coöperatieve projecten onder de kaderregeling. Meer informatie is terug te vinden in het toelichtingsdocument - gebruik van projectresultaten.

De Europese regelgeving bepaalt dat de ontvangen (indirecte) steun voor een individueel bedrijf onder een bepaald plafond dient te blijven (zie toelichtingsdocument de-minimis?). De ontvangen steun/bedrijf wordt berekend als de totale subsidie voor het project, gedeeld door het aantal bedrijven in de reële doelgroep (groep van bedrijven waar de projectresultaten effectief geïmplementeerd zullen worden). De bedrijven in de gebruikersgroep behoren tot de reële doelgroep.

Dit is een aandachtspunt bij de evaluatie van het project door het Agentschap Innoveren en Ondernemen. De Europese Commissie kan te allen tijde - tot 10 jaar na afloop van het VIS‐programma ‐ een controle doen op de naleving van de de‐minimisverordening. Lidstaten hebben 20 dagen om op dergelijke vragen te antwoorden. Meer informatie over de de-minimis-regel.
 

Een minimum bezetting per partner van 1 VTE is niet verplicht. Indien het relevant is, kan de bezetting voor één of meerdere uitvoerders kleiner zijn dan 1 VTE. Er dient vooral naar gestreefd te worden dat de begrotingen niet te versnipperd zijn (bijvoorbeeld een groot aantal partners met een minimale bezetting/partner) en dat het geheel functioneert.

Een ad-hoc VIS? is een consortium van in hoofdzaak Vlaamse bedrijven. Bedrijven kunnen zelf niet als uitvoerder optreden, ze kunnen wel als onderaannemer? bij een VIS-traject betrokken worden. Kenniscentra die deel uitmaken van een ad-hoc VIS kunnen wel als uitvoerder optreden.

De mogelijke uitvoerders voor VIS?-trajecten zijn opgelijst in de handleiding. De vroegere vereiste accreditatie voor kenniscentra voor het uitvoeren van TD-projecten vervalt. Er wordt tijdens de evaluatie van het traject nagegaan of binnen het uitvoerend consortium de geschikte expertise/competentie, nodig om de voorgestelde activiteiten uit te voeren, aanwezig is. 

Hoewel er bij ‘implementatiegerichte activiteiten’ inherent een beperkte bedrijfseigen component aanwezig zal zijn, is het niet de bedoeling om uitgebreid individueel maatwerk te leveren in een (collectief gesteund) VIS?-traject. Voor individuele adviezen/projecten (maatwerk) kunnen bedrijven terecht in de kmo?-portefeuille, het kmo-programma? of het programma O&O-bedrijfsprojecten. Er kan daarbij evident geen sprake zijn van dubbele financiering van dezelfde activiteiten. Ook kunnen deze via andere overheidskanalen gefinancierde adviezen/projecten niet aangewend worden als cofinanciering van het VIS-traject.
 

VIS?-trajecten kunnen niet verlengd worden. Projecten tot 4 jaar kunnen wel een uitbreiding (van max. 2 jaar) van het project aanvragen, mits verruiming van de doelstellingen en op voorwaarde dat duidelijke resultaten voorgelegd kunnen worden. Aanvragen tot uitbreiding worden in competitie met nieuwe projectvoorstellen geëvalueerd.
Een VIS-traject moet binnen de opgegeven projectduur aanleiding geven tot concrete innovaties/ toepassingen. Projecten tot 6 jaar moeten bij de tussentijdse evaluatie na 4 jaar (waarvoor externe deskundigen worden ingeschakeld) reeds de nodige resultaten kunnen voorleggen. Een traject dat in hoofdzaak bestaat uit onderzoeksactiviteiten komt niet voor steun in aanmerking. Het verwerven van kennis speelt een belangrijke rol in een VIS-traject, maar de doelstelling moet zijn zichtbare veranderingen teweeg te brengen bij de doelgroepbedrijven door het concreet toepassen van die kennis.
 

Aangezien VIS?-trajecten gekenmerkt worden door hun collectief karakter, zal er vooral generische kennis opgebouwd worden. Het VIS beschikt over de projectresultaten en heeft de verplichting om deze op grote schaal te verspreiden. Als er toch IE-rechten opgebouwd zouden worden, zal het VIS aan gelijke en toegankelijke voorwaarden licenties verlenen. Voor meer informatie, zie ook de faq voor het VIS-programma.

Bij de indiening van de projectaanvraag wordt een sluitend cofinancieringsplan (met buffer) verwacht dat gezien wordt als een maatstaf voor de betrokkenheid van de effectieve doelgroep. De cofinanciering kan ingevuld worden op verschillende wijzen: lidgelden van leden van de gebruikersgroep, inkomsten uit de organisatie van studiedagen/workshops, vergoeding voor geleverde diensten in het kader van het opzetten en begeleiden van praktijktoepassingen,… Het is ook mogelijk dat een deel van de projectkost gedragen wordt vanuit de eigen middelen van de indieners (VIS?’sen).  Een belangrijk upfront financieel engagement vanuit de doelgroepbedrijven verdient echter aanbeveling. Dit kan bv. aangetoond worden aan de hand van gemotiveerde intentieverklaringen.

Bij VIS-trajecten voor innovatievolgers is specifiek aan te stippen dat geleverde diensten aan individuele bedrijven, opgenomen in het activiteitenplan van het traject, beperkt en in principe gratis horen te zijn. Ze kunnen dan ook niet als co-financieringsbron beschouwd worden.

De projectleider bepaalt hoe de cofinanciering samengesteld wordt en zorgt ervoor dat dit kan onderbouwd worden t.o.v. de leden van de gebruikersgroep en het Agentschap Innoveren & Ondernemen. Hij draagt er zorg voor dat het co-financieringsplan sluitend is, volgt dit op, en bewaakt ook dat er geen dubbele financiering van projectactiviteiten is. Reeds gefinancierde kosten kunnen niet nogmaals verhaald worden.
Na afloop van het project worden de projectresultaten (marktconform) overgedragen (open voor elke onderneming in EU). Iedere onderneming die heeft bijgedragen in de financiering van het traject, kan haar cofinancieringsbijdrage in mindering brengen.
 

Het bereiken van de 20% cofinanciering wordt toegepast op de ganse periode van het traject, maar voor trajecten met een langere duurtijd dan twee jaar, zal bij de tussentijdse evaluaties (na twee en vier jaar) de reeds bereikte cofinanciering wel een aandachtspunt vormen.

Bij de indiening van de projectaanvraag, dient een degelijk cofinancieringsplan voorgelegd te worden. Hierin wordt beschreven op welke manier de cofinanciering zal gerealiseerd worden voor het ganse traject. Wel is het mogelijk dat bepaalde bedrijven zich reeds vanaf de aanvang van het traject (financieel) zullen engageren en andere (type) bedrijven op een later moment instappen. Dit kan afhangen van de opzet en de planning van het traject.
De 20% cofinanciering wordt gezien als een maat van commitment van de doelgroepbedrijven en het gecreëerde draagvlak bij deze doelgroep. Dit is een evaluatiecriterium.
 

Het toevoegen van ondertekende intentieverklaringen van de leden van de gebruikersgroep is niet verplicht. De aanpak en de beoogde samenstelling van de gebruikersgroep dient wel duidelijk beschreven te worden in de projectaanvraag. Het toevoegen van gemotiveerde intentieverklaringen van gebruikersgroepleden kan wel een meerwaarde betekenen voor de aanvraag (indicatie van het ‘commitment’ van de doelgroepbedrijven).

Collectieve projecten zijn toegankelijk voor alle bedrijven. Dit geldt ook voor de gebruikersgroepen, die open staan voor alle geïnteresseerde bedrijven en waarvan individuele bedrijven niet uitgesloten kunnen worden. Wel moeten er duidelijke afspraken gemaakt worden aan welke toetredingsvoorwaarden nieuwe leden kunnen instappen. Deze mogen niet discriminerend zijn. Indien men een algemene bijdrage (of lidgeld) van het VIS? (deels) laat gelden als bijdrage voor de gebruikersgroep, dan mag de eventuele bijdrage van niet-leden niet hoger zijn dan dit lidgeld.

Collectieve projecten zijn toegankelijk voor alle bedrijven. Dit geldt ook voor de gebruikersgroepen, die open staan voor alle geïnteresseerde bedrijven en waarvan individuele bedrijven niet uitgesloten kunnen worden. Wel moeten er duidelijke afspraken gemaakt worden aan welke toetredingsvoorwaarden nieuwe leden kunnen instappen. Deze mogen niet discriminerend zijn.

Het toevoegen van ondertekende intentieverklaringen van de leden van de gebruikersgroep is niet verplicht. De aanpak en de beoogde samenstelling van de gebruikersgroep dient wel duidelijk beschreven te worden in de projectaanvraag. Het toevoegen van gemotiveerde intentieverklaringen van gebruikersgroepleden kan wel een meerwaarde betekenen voor de aanvraag (indicatie van het ‘commitment’ van de doelgroepbedrijven). 

Bij de indiening van de projectaanvraag, dient een degelijk cofinancieringsplan voorgelegd te worden. Hierin wordt beschreven op welke manier de cofinanciering zal gerealiseerd worden voor het ganse traject. Wel is het mogelijk dat bepaalde bedrijven zich reeds vanaf de aanvang van het traject (financieel) zullen engageren en andere (type) bedrijven op een later moment instappen. Dit kan afhangen van de opzet en de planning van het traject.
De 10% cofinanciering wordt gezien als een maat van commitment van de doelgroepbedrijven en het gecreëerde draagvlak bij deze doelgroep. Dit is een evaluatiecriterium.

Het bereiken van de 10% cofinanciering wordt toegepast op de ganse periode van het traject, maar voor trajecten met een langere duurtijd dan twee jaar, zal bij de tussentijdse evaluaties (na twee en vier jaar) de reeds bereikte cofinanciering wel een aandachtspunt vormen.

Neen, er wordt maar 1 startdatum behouden voor de duur van het project. De partner die later start werkt dan bv. maar 47 maanden ipv 48 maanden voor een project dat 4 jaar duurt.

Neen, kleinere (niche) sectoren zijn niet bij voorbaat uitgesloten. Er zal eerder gekeken worden of de omvang van het project in verhouding is met de grootte van de doelgroep, de resultaten die mogen verwacht worden, en de impact ervan voor de doelgroepbedrijven. Daarnaast is het belangrijk dat er voldoende absorptiecapaciteit is bij de doelgroepbedrijven, zodat een kennis- of competentieverhoging bij die bedrijven zich op termijn vertaalt in een economisch toegevoegde waarde? voor de betrokken sector.

LA-trajecten kunnen niet verlengd worden. Projecten tot 4 jaar kunnen wel een uitbreiding (van max. 2 jaar) van het project aanvragen, mits verruiming van de doelstellingen en op voorwaarde dat duidelijke resultaten voorgelegd kunnen worden. Aanvragen tot uitbreiding worden in competitie met nieuwe projectvoorstellen geëvalueerd.
Een LA-traject moet binnen de opgegeven projectduur aanleiding geven tot concrete innovaties/toepassingen. Projecten tot 6 jaar moeten bij de tussentijdse evaluatie na 4 jaar (waarvoor externe deskundigen worden ingeschakeld) reeds de nodige resultaten kunnen voorleggen. Een traject dat in hoofdzaak bestaat uit onderzoeksactiviteiten komt niet voor steun in aanmerking. Het verwerven van kennis speelt een belangrijke rol in een LA-traject, maar de doelstelling moet zijn zichtbare veranderingen teweeg brengen bij de doelgroepbedrijven door het concreet toepassen van die kennis.

De projectduur is afhankelijk van het ‘traject’ dat nog moet afgelegd worden om tot concrete innovaties en zichtbare veranderingen bij de doelgroepbedrijven te komen. Een volledige projectduur bedraagt typisch 4 jaar, maar LA-trajecten kunnen een looptijd hebben van minimaal 2 tot maximaal 6 jaar, met een tussentijdse evaluatie om de 2 jaar.
De bezetting van een LA-traject mag in totaal maximum 8 VTE bedragen (m.a.w. voor een project van 6 jaar zijn dit 576 mm). Het aantal VTE mag echter geen streefdoel op zich zijn. Projectomvang en –budget dienen in verhouding te staan met de na te streven doelstellingen, de grootte van de te bereiken doelgroep en de te verwachten (economische) meerwaarde.

Als medeaanvrager?/uitvoerder is het bedrijf automatisch lid van de gebruikersgroep, maar zonder rechtsgeldige stem in de aansturing van het project. Elk doelgroepbedrijf uit de agrovoedingsketen heeft de mogelijkheid om een bijdrage te leveren in de cofinanciering: individueel of via beroeps- en sectororganisaties. Hetzelfde bedrijf kan daarnaast, voor een beperkt deel van het traject, begunstigde?? worden van steun volgens de modaliteiten van de O&O-subsidieregeling. Op voorwaarde dat de activiteiten die uitgevoerd worden in het kader van het ‘bedrijfsproject’ duidelijk en correct afgelijnd worden zowel naar werkplan als budget, zodat geen vermenging kan optreden.

Indien een bedrijf specifieke goederen of diensten levert, nodig voor de uitvoering van het project dient het bedrijf hiervoor betaald te worden. Deze kosten dienen steeds ingebracht te worden onder de werkingskosten van het project (cf. onderaanneming). Wanneer het bedrijf deze kost wil inbrengen als een bijdrage in de cofinanciering, moet deze kost door middel van een debet/creditnota of facturatie (incl. BTW) ondubbelzinnig aangetoond kunnen worden.

Voorbeeld: Een korting op een toestel kan ingebracht worden als cofinanciering.
In de werkingsmiddelen wordt dan de volledige prijs van het toestel opgenomen. De ‘korting’ wordt in het cofinancieringsplan van de aanvraag opgenomen en moet achteraf boekhoudkundig traceerbaar zijn (zowel bij de aanvrager/uitvoerder van het traject als bij de leverancier).

Bij de indiening van de projectaanvraag wordt een sluitend cofinancieringsplan (met buffer) verwacht dat gezien wordt als een maatstaf voor de betrokkenheid van de effectieve doelgroep. De cofinanciering kan ingevuld worden op verschillende wijzen: lidgelden van leden van de gebruikersgroep, inkomsten uit de organisatie van studiedagen/workshops, vergoeding voor geleverde diensten in het kader van het opzetten en begeleiden van praktijktoepassingen,… Een belangrijk upfront financieel engagement -van verschillende schakels in de agrovoedingsketen- verdient echter aanbeveling. Dit kan bv. aangetoond worden aan de hand van gemotiveerde intentieverklaringen.

De projectleider bepaalt hoe de cofinanciering samengesteld wordt en zorgt ervoor dat dit kan onderbouwd worden t.o.v. de leden van de gebruikersgroep en het Agentschap Innoveren & Ondernemen. Hij draagt er zorg voor dat het co-financieringsplan sluitend is, volgt dit op, en bewaakt ook dat er geen dubbele financiering van projectactiviteiten is. Reeds gefinancierde kosten kunnen niet nogmaals verhaald worden.

Na afloop van het project worden de projectresultaten marktconform overgedragen (open voor elke onderneming in EU). Iedere onderneming die heeft bijgedragen in de financiering van het traject, kan haar cofinancieringsbijdrage in mindering brengen.

Het betrekken van niet-Vlaamse partners is mogelijk –via onderaanneming– en voor zover relevant voor de uitvoering van het project. Bij de projectaanvraag dient een motivatie en kostenraming (vanaf € 8.500) gevoegd te worden. De kosten dienen ingebracht te worden onder de werkingskosten van het project. De organisatie die de onderaanneming uitbesteedt (d.i. de kennisinstelling) moet de voor haar toepasselijke wetgeving volgen. De geselecteerde onderaannemer? wordt een contractant van de kennisinstelling en is geen rechtstreekse begunstigde? en dus ook geen mede-ondertekenaar van de subsidie-overeenkomst. Zie ook het toelichtingsdocument ‘Publiekrechtelijke verplichtingen’ op deze website.

Projecten die in hoofdzaak gericht zijn op innovatie bij een collectief van bedrijven uit de toeleverings- of de verwerkende industrie horen thuis in de VIS?-trajecten. Bij LA-trajecten daarentegen gaat de vraag uit van de primaire sector. De doelstelling van het programma is met name het duurzamer en competitiever maken van de Vlaamse land- en tuinbouw. Van een LA-traject wordt dan ook verwacht dat bedrijven/organisaties uit de primaire sector actief betrokken worden bij de voorbereiding van de projectaanvraag. Verder moet er tijdens de uitvoering van het traject een duidelijke kennisoverdracht zijn naar de land- en tuinbouwbedrijven die resulteert in praktijktoepassingen.

Het is inderdaad zo dat enkel kennisinstellingen (Vlaamse instellingen van hoger onderwijs, onderzoeksinstellingen en praktijkcentra) een projectaanvraag kunnen indienen voor een LA-traject. Het is mogelijk voor kennisinstellingen om samen met een collectief van bedrijven uit de toeleverings- of de verwerkende industrie LA-trajecten op te zetten. VIS?-organisaties kunnen in dit geval optreden als medeaanvrager?, en in aanmerking komen voor subsidie in het kader van de VIS-trajecten regeling (80% steun). Het budgettair aandeel moet evenwel beperkt blijven t.o.v. de totale projectbegroting van het LA-traject.

Indien een LA-traject kennis of technologie oplevert die nuttig kan zijn voor bedrijven in de toeleverings- of verwerkende industrie is er sprake van een ‘spillover’ effect. In dat geval kunnen die bedrijven de nuttige kennis/technologie in een apart innovatietraject verder ontwikkelen en vermarkten.

De finaliteit van LA-trajecten ligt niet in het bekomen van onderzoeksresultaten op zich, maar eerder in het realiseren van concrete innovaties die op relatief korte termijn toepasbaar zijn in de praktijk. De aanpak is bijgevolg in die zin verschillend dat het een geïntegreerde aanpak betreft van zowel onderzoek als activiteiten gericht op kennisoverdracht en het opzetten en begeleiden van toepassingen op land- en tuinbouwbedrijven. In functie van de behoeften/noden wordt de volgorde en de omvang van de activiteiten zodanig gekozen dat deze binnen de projectduur (van 2 tot 6 jaar) resulteren in zichtbare veranderingen bij de doelgroep. Het projectconsortium dient evenwichtig samengesteld te worden, met een juiste mix van competenties/expertise, naargelang de aard van de voorziene activiteiten.

Het is niet de bedoeling om uitgebreid individueel maatwerk te leveren in een TETRA-project. Voor individuele adviezen/projecten (maatwerk) kunnen bedrijven terecht in de kmo?-portefeuille, het kmo-programma? of het programma O&O-bedrijfsprojecten. Er kan daarbij evident geen sprake zijn van dubbele financiering van dezelfde activiteiten. Ook kunnen deze via andere overheidskanalen gefinancierde adviezen/projecten niet aangewend worden als cofinanciering van het TETRA-project.

Collectieve projecten zijn toegankelijk voor alle bedrijven. Dit geldt ook voor de gebruikersgroepen, die open staan voor alle geïnteresseerde bedrijven en waarvan individuele bedrijven niet uitgesloten kunnen worden. Wel moeten er duidelijke afspraken gemaakt worden aan welke toetredingsvoorwaarden nieuwe leden kunnen instappen. Deze mogen niet discriminerend zijn.

Het toevoegen van ondertekende intentieverklaringen van de leden van de gebruikersgroep is niet verplicht. De aanpak en de beoogde samenstelling van de gebruikersgroep dient wel duidelijk beschreven te worden in de projectaanvraag. Het toevoegen van gemotiveerde intentieverklaringen van gebruikersgroepleden kan wel een meerwaarde betekenen voor de aanvraag (indicatie van het ‘commitment’ van de doelgroepbedrijven).

Indien op het einde van de projectduur wordt vastgesteld dat het vooropgestelde cofinancieringsbedrag niet wordt gehaald dan zal ook de steun a rato worden verlaagd. Een hogeschool of universiteit kan het ontbrekende bedrag niet bijpassen.

TETRA-projecten kunnen in principe niet verlengd worden. Wanneer er sprake is van overmacht, kan men mits motivatie uitzonderlijk een beperkte verlenging van het project aanvragen.

Het Agentschap Innoveren & Ondernemen beschikt niet over dergelijke templates. Dit is een taak van de diensten TECH transfer, die hiervoor de nodige informatie voorzien voor onderzoekers binnen hun associatie.

Een Vlaamse of Gemeentelijke overheid kan zetelen in een gebruikersgroep en kan hier eventueel een vergoeding tegenover stellen.  Echter, deze vergoeding kan niet in aanmerking komen voor de cofinanciering! Een project enkel en alleen gericht op Vlaamse of Gemeentelijke overheidsdiensten kan niet in TETRA.

Men hoeft bij de indiening van een projectaanvraag nog geen handtekening van de deelnemende bedrijven van de gebruikersgroep te bezorgen. Dit dient pas op een later moment te gebeuren als de lijst van deelnemende bedrijven definitief is.

In principe kan dit, maar in dit geval zal het heel moeilijk zijn om aan te tonen dat er een draagvlak is bij een brede doelgroep aan ondernemingen. Meestal is dit een indicatie dat 1 specifieke onderneming ‘meer’ voordeel heeft bij het project dan anderen en betreft het eerder een bedrijfsproject en geen TETRA-project.

Indien een bedrijf specifieke goederen of diensten levert, nodig voor de uitvoering van het project dient het bedrijf hiervoor betaald te worden. Deze kosten dienen steeds ingebracht te worden onder de werkingskosten van het project (cf. onderaanneming). Wanneer het bedrijf deze kost wil inbrengen als een bijdrage in de cofinanciering, moet deze kost door middel van een debet/creditnota of facturatie (incl. BTW) ondubbelzinnig aangetoond kunnen worden.
 

Voorbeeld: Een korting op een toestel kan ingebracht worden als cofinanciering.
In de werkingsmiddelen wordt dan de volledige prijs van het toestel opgenomen. De ‘korting’ wordt in het cofinancieringsplan van de aanvraag opgenomen en moet achteraf boekhoudkundig traceerbaar zijn (zowel bij de hoge school als bij de leverancier).

Bij de indiening van de projectaanvraag wordt een sluitend cofinancieringsplan (met buffer) verwacht dat gezien wordt als een maatstaf voor de betrokkenheid van de effectieve doelgroep. De cofinanciering kan ingevuld worden op verschillende wijzen: lidgelden van leden van de gebruikersgroep, inkomsten uit de organisatie van studiedagen/workshops, vergoeding voor geleverde diensten in het kader van het opzetten en begeleiden van praktijktoepassingen,… Een belangrijk upfront financieel engagement -van verschillende schakels in de doelgroep - verdient echter aanbeveling. Dit kan bv. aangetoond worden aan de hand van gemotiveerde intentieverklaringen.

De projectleider bepaalt hoe de cofinanciering samengesteld wordt en zorgt ervoor dat dit kan onderbouwd worden t.o.v. de leden van de gebruikersgroep en het Agentschap Innoveren & Ondernemen. Hij draagt er zorg voor dat het co-financieringsplan sluitend is, volgt dit op, en bewaakt ook dat er geen dubbele financiering van projectactiviteiten is. Reeds gefinancierde kosten kunnen niet nogmaals verhaald worden.

Na afloop van het project worden de projectresultaten marktconform overgedragen (open voor elke onderneming in EU). Iedere onderneming die heeft bijgedragen in de financiering van het traject, kan haar cofinancieringsbijdrage in mindering brengen.
 

Een buitenlands bedrijf kan opgenomen worden in de gebruikersgroep (de uiteindelijke resultaten van een TETRA-project staan open voor elk geïnteresseerd bedrijf binnen Europa). 

Op de website van het Vlaamse Innovatienetwerk (VIN?) is een overzicht van alle goedgekeurde TETRA-projecten terug te vinden: http://www.innovatienetwerk.be/projects/search

Neen, TETRA werkt volgens een ‘call’-principe met één oproep per jaar. Dit geldt zowel voor TETRA-voorbereidingsprojecten als voor TETRA-projecten.

Enkel onderzoeksgroepen verbonden aan een professionele bacheloropleiding kunnen deel uitmaken van het aanvragend consortium en dit zowel in de hoedanigheid van hoofdaanvrager als van mede-aanvrager.

Dit is mogelijk, echter het aanvragend consortium dient de regels voor overheidsaanbestedingen te respecteren.

De betreffende organisatie moet erkend zijn als onderzoeksorganisatie?. De organisatie moet voldoen aan de definitie van onderzoeksorganisatie, zoals gesteld in de Communautaire Kaderregeling inzake staatssteun voor onderzoek, ontwikkeling en innovatie (2006/C 323/01). Voor deze erkenning dient een “Verklaring van Onderzoeksorganisatie” te worden opgemaakt, alsook een juridische onderbouwing van de verschillende criteria in deze verklaring.

Een nieuwe oproep wordt steeds aangekondigd via de website. Informatie rond deadline van indiening, data en locaties van de informatiesessies worden dan meegegeven. Alle documenten zijn terug te vinden onder het TETRA-programma via de tab ‘documenten’. Dit zijn de meest recente documenten.

Een TETRA- of VIS?-aanvraag (Vlaams luik) dient in het Nederlands te worden opgesteld. De CORNET?-aanvraag is in het Engels. Indien op beide kanalen gemikt wordt, is een vertaling noodzakelijk.

Voor CORNET? moet de aanvrager inderdaad een associatie zijn. Voor Vlaanderen is deze ad hoc organisatie in het kader van een TETRA-CORNET-project de aanvragende hogeschool/universiteit  en de gebruikersgroep, (bestaat uit minstens 5 kmo?’s voor een CORNET). Dit is een ontvankelijkheidscriterium dat het Agentschap Innoveren en Ondernemen checkt. Dit engagement (als ad hoc associatie) wordt onderschreven door de handtekening van de rechtsgeldige vertegenwoordiger van de hoofdaanvrager van het TETRA-project.

Voor de extra begroting binnen het CORNET?-project is inderdaad cofinanciering nodig. Deze kan in principe komen uit inkomsten van workshops. Echter, als deze ook al opgenomen is als cofinanciering in een reeds goedgekeurd TETRA-project kan dit uiteraard niet.

De indiening gebeurt in 2 parallelle stappen: een internationale indiening en een nationale/regionale indiening.  Wat het Vlaamse luik betreft is er een template voorzien op de website: http://www.iwt.be/subsidies/extrasteun/cornet

Voor een uitbreiding van een reeds goedgekeurde TETRA kan dit Vlaamse luik  beperkt worden tot het schriftelijk aanvragen van deze uitbreiding, met opgave van de impact op de begroting (cfr. kostenmodel), in zoverre de maximale begroting of toe te stane werkingskosten niet overschreden worden.
 

Om (zelf) na te gaan of een onderneming voldoet aan de definitie van een kmo? kunnen volgende checks uitgevoerd worden
 

  • zeggenschap: meestal te checken via de statuten van de onderneming (in eerste instantie een check via het stemrecht op bestuursniveau)
  1. zijn er ondernemingen die meer stemrecht hebben dan een andere onderneming (bv. doordat meerdere leden in de raad van bestuur werkzaam zijn bij 1 onderneming)
  2. zijn er meer dan 4 onafhankelijke leden met gelijk stemrecht (dan vervalt de consolidatievraag op vlak van leden doordat ze minder dan 25% zeggenschap hebben)
  3. als meer dan 25% van het zeggenschap (stemrecht) in handen is van ‘de’ overheid (gezamenlijk of apart) kan de onderneming geen kmo-statuut meer aanvragen
  • leiding: is de onderneming voor haar beslissingen afhankelijk van een centrale leiding (bv. van een (lokale) overheid, van een ‘koepelorganisatie’ die een aantal ondernemingen verenigt onder 1 label (woonzorgcentra, thuiszorgwinkels, …)
  • verbondenheid: is de onderneming zelf verbonden met andere ondernemingen (zuster-ondernemingen, moeder-ondernemingen of deelnames in andere ondernemingen?)

Van zodra er een groter zeggenschap is van 1 onderneming, of er is sprake van een centrale leiding of er is sprake van verbonden ondernemingen, moeten de regels van de consolidatie (zie faq kmo) toegepast worden.

Meer informatie over het statuut van een kmo vindt u onder de veel gestelde vragen rond de bedrijfssteun, 'Voldoe ik aan de kmo-definitie? Hoe moet de kmo-definitie geïnterpreteerd worden?'

 

Ter aanvulling van de faq op de website voor bedrijven 'Welke ondernemingen kunnen aanvragen indienen voor O&O-Bedrijfssteun?' (http://www.iwt.be/faq#t35n467) volgt hier een toelichting voor non-for-profit organisaties die willen deelnemen aan de projecten van de proeftuin ‘Zorg Innovatieruimte’.

Van zodra beschikbaar zal de faq op de website voor ‘bedrijf’ aangepast worden zodat onderstaande principes ook toegelicht worden voor deelname van non-for-profit organisaties in andere programma’s van het Agentschap Innoveren en Ondernemen.

De proeftuin voorziet een paar uitzonderlijke toelatingen voor deelname die niet mogelijk zijn binnen de krijtlijnen van de reguliere programma’s.
 

  • Gemeenten en Steden kunnen deelnemen
  • Unicommunautaire Nederlandstalige actoren uit het Brusselse Gewest kunnen deelnemen (als ze onder de bevoegdheid van de Vlaamse Gemeenschapscommissie vallen)
  • Universitaire ziekenhuizen kunnen deelnemen, voor zoverre de projectresultaten gevaloriseerd worden via de ‘economische activiteiten’ van het ziekenhuis (zijnde zorg verlenen aan patiënten) en niet via de onderzoeksactiviteiten als onderzoeksorganisatie?. Hiervoor is dan wel een gescheiden boekhouding vereist die toelaat om deze activiteiten strikt te scheiden.

Privaatrechtelijke organisaties uit de non-for profit komen in aanmerking voor subsidie binnen de proeftuin ‘Zorg Innovatieruimte’ onder dezelfde voorwaarden als alle andere organisaties (cf. faq bedrijfsprojecten).

Er is een rechtspersoonlijkheid nodig en de organisatie moet aantonen dat ze een economische activiteit uitoefent (=diensten aanbieden op een vrije markt die vergoed worden aan marktcondities) via een Vlaamse vestiging op een manier dat er kan verwacht worden dat deze voldoende structureel is (voor een langere tijd).

Voor organisaties die een Dienst van Algemeen Belang (DAB) uitoefenen is het belangrijk om weten dat de activiteiten die zij uitvoeren in het kader van deze DAB niet erkend worden als economische activiteiten (er is geen vrije markt en er is geen marktvergoeding voorzien). Voorbeelden van dergelijke organisaties zijn: justitie, politie, onderwijs, netbeheerder waterdistributie, netbeheerder electriciteitsdistributie enz…
 

Organisaties met een gemengde activiteit (economische activiteiten en diensten algemeen belang) kunnen voor de innovaties die betrekking hebben op de economische activiteiten in aanmerking komen voor IWT subsidie. Hetzelfde geldt voor publiekrechtelijke organisaties met een privaatrechtelijk statuut.


Voor organisaties die een Dienst van Algemeen Economisch Belang (DAEB) uitoefenen is het belangrijk om weten dat de activiteiten die zij uitvoeren meestal wel economische activiteiten zijn. Hiervoor is het belangrijk dat ze nagaan of er een vrije markt is (kan de klant, patiënt, burger kiezen uit verscheidene alternatieven?) en dat er een marktvergoeding is voor de geleverde diensten. Voorbeelden van dergelijke organisaties zijn: ziekenhuizen, thuiszorg, kinderdagverblijven, rusthuizen, theater, musea, milieuverenigingen, …
 

Het feit dat dergelijke organisaties sterk afhankelijk zijn van publieke middelen voor hun werking of het feit dat dergelijke organisaties onder de controle staan van een lokale overheid is geen beletsel. De organisaties moeten er wel zorg voor dragen dat er geen dubbelfinanciering is, wanneer bepaalde activiteiten gesubsidieerd worden binnen het innovatieproject.


De non-for-profit organisaties moeten, zoals alle andere ondernemingen die beroep doen op subsidies, kunnen aantonen dat ze beschikken over voldoende private middelen om hun aandeel in het project te financieren.
 

De inkomsten die verkregen zijn via het leveren van diensten (marktmiddelen) zijn ook private middelen (ook al wordt de dienst geleverd aan een publieke organisatie onder de vorm van een openbare aanbesteding).

De inkomsten die verkregen zijn via een zogenaamd derdebetaler systeem (bv. RIZIV of opleidingscheques of …) zijn ook private middelen. Volgens de Europese jurisdictie zijn de gelden uit het RIZIV immers collectieve gelden uit een verzekering.


Als een organisatie ontvankelijk is als ‘onderneming’, kan deze organisatie aanspraak doen op de kmo?-toeslag, ongeacht hun rechtsvorm. Net zoals bij vennootschappen met een aandeelhouderstructuur kan bij vennootschappen zonder aandeelhouderstructuur nagegaan worden in welke mate de vennootschap zelfstandig is of deel uit maakt van een groep verbonden ondernemingen. Hierbij wordt o.a. nagegaan wat de stemrechten zijn van leden (en afhankelijkheid van die leden van andere ondernemingen), in welke mate één of enkele ondernemingen de controle uitoefenen over die vennootschap en in welke mate de onderneming onder een centrale leiding staat. De verbonden ondernemingen worden op dezelfde wijze geconsolideerd zoals gangbaar is bij vennootschappen met aandeelhoudersstructuur.

De bewijslast ligt bij de non-for-profit organisatie.

Dit betekent dat deze organisatie zelf analyseert en aangeeft in welke mate
 

  • er diensten in een vrije markt aangeboden worden
  • deze diensten vergoed worden aan een marktvergoeding (dus meer dan de symbolische euro). Hierbij is het belangrijk dat ze zelf nagaan in welke mate er activiteiten zijn die niet vallen onder hun opdracht ‘Dienst Algemeen Belang’.
  • er voldoende private middelen (privaat via private personen of ondernemingen of via inkomsten uit dienstverlening aan marktvergoeding) beschikbaar zijn om het eigen aandeel (= niet gesubsideerd door het Agentschap Innoveren en Ondernemen) in het project te bekostigen. Cofinanciering vanuit andere publieke middelen hiervoor is niet toegestaan.

Voor de analyse of de non-for-profit organisatie kan voldoen aan de kmo-definitie wordt verwezen naar de faq op de website 'Hoe ga ik na of mijn (non-profit) organisatie voldoet aan de definitie van een kmo ?' (http://www.iwt.be/faq#t153n1775)

Ja, de VGC is het enige lokale bestuur uit het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, dat aanvrager kan zijn in een proeftuinplatform of –project. Steden en gemeenten uit het Brussels Hoofdstedelijk Gewest kunnen geen aanvrager zijn.
 

OCMW’s worden beschouwd als een integraal deel van het bestuur indien zij zich tijdens de platform/projectuitvoering richten op bestuursactiviteiten en ze hiervoor de goedkeuring van het bestuur hebben. Voor deze bestuursactiviteiten kunnen zij (bij een positieve beslissing) gesteund worden aan 80% subsidie. Indien de OCMW’s zich tijdens de platform/projectuitvoering voornamelijk richten op activiteiten waarvoor zij zich op de vrije markt begeven, dan worden zij beschouwd als een “organisatie” en zullen zij voor deze activiteiten gesubsidieerd worden aan het subsidiepercentage voor “organisaties”.
 

Gezien de administratieve moeilijkheden die gepaard gaan met de vorming van de nieuwe stads- en gemeentebesturen, is het op het ogenblik van indiening (8 januari 2013) niet vereist dat de aanvragende steden/gemeenten en eventueel betrokken OCMW’s dit document reeds ondertekend bezorgd hebben aan het Agentschap Innoveren en Ondernemen. Wel is op dat ogenblik reeds een gemotiveerde onderbouwing van de intentie tot deelname vanwege de betrokken steden/gemeenten/OCMW’s vereist. De officieel ondertekende verklaring van elke aanvragende stad/gemeente/OCMW (cfr document in aanvraagtemplate) dient wel uiterlijk 31 maart 2013 bezorgd te worden aan het Agentschap Innoveren en Ondernemen.
 

Voor aanvragers van bedrijfssteun1  in het kader van programma’s met een maatschappelijke finaliteit of specifieke initiatieven van de Vlaamse Regering zoals het SBO-M- en het TGO-programma, Proeftuinen en individuele projecten in het kader van de Lichte Structuren die eveneens het Besluit O&O-Bedrijfssubsidie als basis hanteren gelden tenzij anders bepaald dezelfde formele ontvankelijkheidscriteria als deze van toepassing op aanvragers van bedrijfssteun binnen de reguliere programma’s voor steun aan bedrijven. Meer informatie bij deze formele ontvankelijkheidscriteria is te lezen in de faq: Welke ondernemingen kunnen aanvragen indienen voor Bedrijfsinnovatiesteun?

De specifieke documenten (zoals subsidiebesluiten, toelichtingsdocumenten betreffende indiening van aanvragen) van bovenbedoelde programma’s en initiatieven van de Vlaamse regering bevatten de concrete toepasselijke modaliteiten betreffende de aanvragers van bedrijfssteun.

Initiatieven van de Vlaamse Regering met overlap met gemeenschapsbevoegdheid alsook projecten met maatschappelijke finaliteit binnen het SBO- respectievelijk het TGO-programma zijn indien zo bepaald toegankelijk voor privaatrechtelijke alsook publiekrechtelijke organisaties met vestiging in het Brussels tweetalig gebied als aanvragers van steun op basis van het Besluit O&O-Bedrijfssubsidie. Deze organisaties dienen dan wel te verklaren dat hun werking/organisatie (ingeval van persoonsgebonden aangelegenheden, zo bvb. in Proeftuin Zorg) dan wel hun activiteiten (ingeval van culturele en onderwijsaangelegenheden) eentalig in het Nederlands zijn opgezet.


1 Dit is steun toegekend op basis van het Besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 tot regeling van de Steun aan Projecten van Onderzoek en Ontwikkeling van het Bedrijfsleven in Vlaanderen (Besluit O&O-Bedrijfssubsidie, B.S. 10.03.2009).

Indien het project een substantiële verbetering kan opleveren op één van de doelstellingen is dat voldoende. Het is niet nodig om op alle of de meeste doelstellingen te scoren. Eventuele negatieve milieu-effecten moeten wel afgewogen worden t.o.v. de milieuvoordelen.

De lijst met publieke ecopunten is inderdaad beperkt. U kan proberen om ecopunten te zoeken voor gelijkaardige producten en daarmee een berekening te maken. Maak dan wel duidelijk welk product de referentie is of meldt de bron van uw cijfermateriaal.

Ja dat kan bij een kmo?-haalbaarheidsstudie leidt de goedkeuring van DO-studie-activiteiten, automatisch tot het toekennen van een DO-bonus.
 

In principe wel, voor zover de milieuvoordelen via een door het Agentschap Innoveren en Ondernemen aanvaardbare methode gekwantificeerd kunnen worden.

 

Een functionele eenheid laat toe om twee technologieën of producten of diensten met elkaar te vergelijken qua milieu-impact. Er wordt in de eerste plaats gekeken naar de functie van de technologie bv. de verwarming van 1 m3 bouwvolume, de zuivering van 1 m3 water, de productie van 1 ton chocolade of papierpulp, de verpakking van 1000 l melk, etc. Verschillende technologieën of diensten kunnen dezelfde functie op een meer of minder milieu-efficiënte manier invullen. De aanvrager is het best geplaatst om een zinvolle functionele eenheid te definiëren

BBT staat voor Best Beschikbare Technieken en wordt in het Engels ook als BAT(NEEC) aangeduid of Best Available Techniques Not Entailing Excessive Costs. Het zijn technische en organisatorische hulpmiddelen die het meest doeltreffend mens en milieu beschermen, vanuit een integrale benadering (dus voor elk onderdeel van het milieu). De technieken zijn reeds in de praktijk toegepast en worden op de markt aangeboden. De kosten zijn redelijk t.o.v. het resultaat en haalbaar voor de bedrijven in de betrokken bedrijfstak. Voor één specifiek probleem zijn meerdere “beste” technieken mogelijk. De term wordt ook gebruikt in het kader van de milieuregulering (milieuvergunningen). Voor verdere info en BBT-studies wordt verwezen naar http://www.emis.vito.be/bbt

BREFs zijn Europese BBT-studies. De Europese Richtlijn 96/61/EG van 24 september 1996 inzake Geïntegreerde Preventie en Bestrijding van Verontreiniging (de IPPC- of GPBV-richtlijn) vraagt dat alle annex-1 bedrijven (GPBV-bedrijven volgens Vlarem I) ten laatste in 2007 werken volgens vergunningsvoorwaarden gebaseerd op BBT. Om de lidstaten hierbij te helpen organiseert de Europese Commissie een uitwisseling van gegevens op gebied van BBT. Concreet worden door het IPPC-bureau in Sevilla (Spanje) zogenaamde BREFs of BBT-referentiedocumenten opgesteld met hulp van de lidstaten en de betrokken industrie. Deze BREFs zijn te raadplegen via het internet (meer info: http://www.emis.vito.be/afgewerkte-brefs en http://eippcb.jrc.es) en kunnen ook in boekvorm besteld worden.

Inderdaad, duurzame ontwikkeling is een breed begrip dat niet verengd mag worden tot een louter ecologische dimensie, ook economische en sociale voordelen worden onder deze noemer geplaatst, evenals ethische overwegingen m.b.t. de billijke verdeling van welzijn en welvaart, zowel tussen generaties als binnen éénzelfde generatie (Noord-Zuid problematiek). In onze context wordt de definitie beperkt tot de ecologische maatschappelijke voordelen, het aspect arbeidsveiligheid en -hygiëne.

Hulpbronnen zijn natuurlijke voorraden (reservoirs) waaruit geput kan worden met het oog op benuttiging voor producten of processen. Fossiele brandstoffen, nucleaire en minerale grondstoffen worden tot de niet-hernieuwbare hulpbronnen gerekend, gezien de eindigheid van de voorraden. Biologische reservoirs zoals bijv. bossen, landbouwgrond, oppervlakte- regen- en grondwater worden tot de hernieuwbare of regenereerbare grondstoffen gerekend, tenzij er overexploitatie optreedt.
Met de geijkte term 'hernieuwbare energie' worden hernieuwbare niet-fossiele en niet-nucleaire energiebronnen bedoeld zoals zonne- en windenergie, waterkracht, aerothermische, geothermische, hydrothermische energie en energie uit oceanen, biomassa, stortgas, gas van rioolwaterzuiveringsinstallaties en biogas.

Dit komt inderdaad geregeld voor. In de praktijk is bij ecodesign studies reeds gebleken dat bijvoorbeeld een verbetering van de energetische efficiëntie van een warmtewisselaar met 1 % een belangrijker milieu-effect ressorteert dan eender welk gebruik van minder milieubelastende grondstoffen bij de productie van het apparaat

In dergelijke gevallen kunnen de milieu-effecten uitgesplitst worden per toepassingsmogelijkheid. In regel wordt er uitgegaan van het meest realistische valorisatieresultaat. Indien de milieu-effecten (eco-efficiëntieverbetering gecombineerd met een voldoende valorisatieperspectief) voor één toepassingsmogelijkheid voldoende groot zijn, kan het project DO-steun krijgen.

Ja, zeker!

Door het stijgend aantal aanvragen en het brede scala aan domeinen die het Agenschap Innoveren en Ondernemen zijn steunmaatregelen bestrijkt (bvb. biotech, chemie, materiaalontwikkeling en basistechnologieën, micro-elektronica en ICT), zijn wij steeds op zoek naar nieuwe deskundigen.

 

U werkt als expert in uw domein in de industrie of aan de universiteit. We zoeken zowel vakmensen die hooggespecialiseerd zijn als ook vakmensen met een brede specialisatie en interessegebied. Academicus of practicus, in alle gevallen bent u welkom als externe deskundige voor de evaluatie van projecten.

Het Agentschap Innoveren en Ondernemen steunt zowel projecten in de industrie als uit de onderzoekswereld en zoekt steeds deskundigen uit beide werelden: zowel experten met een academische achtergrond als deskundigen met ervaring uit de industrie. Hierbij gaat het zowel om kmo?’s als grote bedrijven, hogescholen, universiteiten en onderzoekscentra.

Het spreekt voor zich dat de deskundigen geselecteerd worden in functie van de ingediende projecten. Naast uw persoonlijke expertise wordt ook rekening gehouden met confidentialiteit en mogelijke incompatibiliteiten.

 

Onze ervaring toont dat werkgevers in het algemeen zeer positief staan tegenover de bijkomende ervaring die u als specialist voor het Agentschap Innoveren en Ondernemen kunt opdoen.

Voor uw ‘baas’ is uw medewerking aan de missie van het agentschap dikwijls ook een erkenning van uw expertise en van de kwaliteit van het bedrijf of de onderzoeksafdeling.

Werkgevers vinden het doorgaans zinvol dat hun personeelsleden zich ook maatschappelijk profileren ten voordele van een organisatie die haar eigen geloofwaardigheid niet hoeft te bewijzen. De networking met andere deskundigen uit uw vakgebied kunnen later ook uw werkgever ten goede komen.

 

Dit hangt af van de te beoordelen dossiers, en ook van uw eigen wensen.

Het Agentschap Innoveren en Ondernemen doet één tot hoogstens enkele keren per jaar op dezelfde deskundige beroep. De projecten die behandeld worden zijn zo specialistisch, dat we telkens andere experten aanspreken die in hun niche goede ‘credentials’ kunnen voorleggen.

Dit betekent een tijdsinzet van het lezen van een dossier welke u per post wordt toegestuurd, eventueel een vergadering – tijdens kantooruren, voor een maximum aantal vergaderingen per jaar, soms afgewisseld met een jaar helemaal niets, afhankelijk van het aantal projecten, of het schrijven van een expertise aan de hand van een evaluatieformulier (vb. evaluatierooster voor een O&O-bedrijfsproject)

De concrete tijdsinzet kan samen met onze wetenschappelijke adviseurs besproken worden.

 

Natuurlijk, een expertenvergoeding is altijd voorzien.
Het tarief voor de expertise varieert naargelang het soort dossier, of er een mondeling college volgt of indien het enkel om een schriftelijke procedure gaat.

Gedetailleerde informatie over de vergoedingen ontvangt u na inschrijving.

Uw kandidatuur wordt via de interne expertendatabank naar alle wetenschappelijke adviseurs van het Agentschap Innoveren en Ondernemen gecommuniceerd. Daarom is het aangewezen uw expertise zo goed mogelijk te omschrijven. Zodra wij u als extern deskundige voor een project in uw vakgebied kunnen inschakelen, neemt de wetenschappelijk adviseur die het dossier begeleidt contact met u op om concreet af te spreken of u als expert voor dit dossier wilt meewerken.

 

Door uw beslagenheid en ervaring in uw vakgebied, kan u die kennis ten dienste stellen van jurering ten behoeve van bedrijfsprojecten, specialisatiebeurzen of onderzoeksmandaten en op die manier de beschikbare middelen van de Vlaamse overheid? zo optimaal mogelijk spenderen. U beslist in feite mee over de steun en hebt dus ook invloed op het innovatielandschap in Vlaanderen.

Interesse, reageer dan meteen vrijblijvend via het webformulier.