Heeft u een vraag voor het IWT? Dan bekijkt u misschien best even deze lijst met vaak gestelde vragen.
Jaarlijks beslist IWT hoe de projecten geselecteerd worden zodat de beschikbare budgetten het best worden aangewend. Als de gevraagde steun hoger is dan de beschikbare middelen, moet tussen de aanvragen die in principe goedgekeurd werden, gekozen worden. Om te voorkomen dat in de loop van het jaar de budgettaire middelen onvoldoende zouden blijken te zijn om aan de vraag te voldoen zodat zelfs de beste projecten niet zouden kunnen gesteund worden, wordt een selectiviteitsmechanisme ingesteld.
De volledige uitleg over de wijze waarop in het lopend werkjaar prioriteiten gesteld worden t.a.v. goedgekeurde steunaanvragen, namelijk de selectiviteit kan je bij elk van de subsidies in het documenten overzicht terugvinden (zie tab documenten).
In het financieringsbesluit van de Vlaamse regering wordt een “bedrijf” niet nader gedefinieerd. In het verleden werd daarom bij twijfelgevallen op ad hoc basis beslist wie wel of wie niet formeel in aanmerking kwam om aanvragen in te dienen.
In de praktijk kwamen de vragen vooral van:
De voogdij-overheid heeft hierover het volgende beslist:
a) De onderneming moet over rechtspersoonlijkheid beschikken, en haar economische activiteit moet op duurzame wijze uitgeoefend worden door middel van een vestiging in het Vlaamse Gewest.
Ter verduidelijking volgt hier een opsomming van de meest courante vormen van rechtspersonen, die aan het ontvankelijkheidscriterium voldoen. In eerste instantie betreft het de volgende vennootschappen (met burgerlijk of handelsdoel):
- vennootschap onder firma (V.O.F.)
- gewone commanditaire vennootschap (Comm.V.)
- besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid (B.V.B.A.)
- coöperatieve vennootschap met beperkte aansprakelijkheid (C.V.B.A.)
- coöperatieve vennootschap met onbeperkte aansprakelijkheid (C.V.O.A.)
- naamloze vennootschap (N.V.)
- commanditaire vennootschap op aandelen (Comm.V.A.)
- economisch samenwerkingsverband (E.S.V.)
Elk van de voornoemde vennootschappen kan bovendien worden opgericht “met sociaal oogmerk”
- landbouwvennootschap (L.V.)
- Europees economisch samenwerkingsverband (E.E.S.V.)
- bijkantoor van buitenlandse vennootschappen
- Belgische vereniging zonder winstoogmerk (V.Z.W.)
- bijkantoren van buitenlandse VZW
- stichting
- internationale VZW
- de Europese Vennootschap (Societas Europaea, SE)
Let op: bovenvermelde vennootschappen opgericht "met sociaal oogmerk" kunnen geen bijkomende achtergestelde lening vanuit het Vlaams Innovatiefonds aanvragen.
b) Rechtspersonen “in oprichting”:
De aanvrager moet effectief over rechtspersoonlijkheid beschikken op het moment dat de subsidie-overeenkomst wordt ondertekend. Bij indiening van het projectvoorstel is dit bijgevolg geen vereiste (start-ups, nieuwe spin-offs in “incubatiefase”, enz.)
c) UITZONDERING: Onderzoeksinstellingen
Volgende instellingen kunnen niet als aanvrager voor O&O-bedrijfssteun optreden:
- Rechtspersonen die van overheidswege belast zijn met onderzoeksopdrachten
- Collectieve onderzoekcentra
- Instellingen die beroep doen op modaliteiten en steunregelingen gericht op onderzoeksinstellingen
- Rechtspersonen die rechtstreeks of onrechtstreeks van voornoemde instellingen afhangen
d) BIJKOMENDE VOORWAARDEN:
Niet beschikken over een wettelijk monopolie
Bedrijven die op grond van een wettelijke bepaling beschikken over een absoluut monopolie binnen het grondgebied van het Vlaamse Gewest of binnen een wezenlijk deel daarvan, komen niet in aanmerking voor steun voor hun O&O-projecten, tenzij het project waarvoor zij steun aanvragen buiten het valorisatiegebied van dit monopolie valt.
Er is sprake van een monopolie wanneer er op de gegeven markt geen concurrentie is en/of er voor de producten en/of diensten die het betrokken bedrijf aanbiedt geen substitutiemogelijkheden of alternatieven voorhanden zijn
Deze uitzondering is gerechtvaardigd omwille van het feit dat deze bedrijven op grond van de wettelijke bepalingen in staat zijn hun onkosten voor O&O door te rekenen in hun tarieven, prijzen, overheidsdotaties of andere bronnen van inkomsten.
Niet beschikken over een machtspositie
Een onderneming heeft een machtspositie wanneer zij in staat is om de instandhouding van werkelijke concurrentie te verhinderen en wanneer zij daardoor de mogelijkheid heeft om zich t.o.v. concurrenten, afnemers of leveranciers in belangrijke mate onafhankelijk te gedragen. Een onderneming beschikt over een machtspositie wanneer zij op de valorisatiemarkt waarop het O&O-project slaat een marktaandeel heeft van meer dan 50%.
In dergelijk geval zal de Raad van Bestuur oordelen of deze machtspositie binnen de valorisatiemarkt waarop het O&O-project slaat en met name binnen het grondgebied van het Vlaamse Gewest of binnen een wezenlijk deel daarvan voldoende concurrentieverstorend kan zijn, zodat zij een voldoende reden vormt om steun te weigeren, naar analogie met een wettelijk monopolie, nog vóór de evaluatie van het betreffende project wordt aangevat.
In deze voorbeelden wordt ingegaan op de valorisatie-aspecten en in het bijzonder de toegevoegde waarde. De inhoudelijke aspecten zijn even belangrijk, maar voor de eenvoud wordt er van uitgegaan dat alle voorbeelden hier op wetenschappelijk vlak goede projecten betreffen en dat de andere aspecten van valorisatie goed scoren. Deze voorbeelden hebben natuurlijk enkel een informatieve waarde en illustreren hoe IWT de valorisatie benadert. Aan deze voorbeelden kunnen geen rechten worden ontleend.
Het is zeker niet de bedoeling dat een aanvrager via cut and paste een scenario opstelt. Elk geval is anders en IWT wil juist de mogelijkheid laten om binnen de eigen bedrijfscontext valabele scenario’s op te bouwen.
Volgende voorbeelden worden louter gegeven als illustratie. Er kunnen op zich geen rechten aan ontleend worden. De interpretatie van het karakter van de activiteiten in een project is complex en afhankelijk van nuances. Op het eerste zicht sterke gelijkende projecten kunnen dus uiteindelijk een andere kwalificatie krijgen.
In het financieringsbesluit van de Vlaamse regering wordt een “bedrijf” niet nader gedefinieerd. In het verleden werd daarom bij twijfelgevallen op ad hoc basis beslist wie wel of wie niet formeel in aanmerking kwam om aanvragen in te dienen.
In de praktijk kwamen de vragen vooral van:
De voogdij-overheid heeft hierover het volgende beslist:
a) De onderneming moet over rechtspersoonlijkheid beschikken, en haar economische activiteit moet op duurzame wijze uitgeoefend worden door middel van een vestiging in het Vlaamse Gewest.
Ter verduidelijking volgt hier een opsomming van de meest courante vormen van rechtspersonen, die aan het ontvankelijkheidscriterium voldoen. In eerste instantie betreft het de volgende vennootschappen (met burgerlijk of handelsdoel):
- vennootschap onder firma (V.O.F.)
- gewone commanditaire vennootschap (Comm.V.)
- besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid (B.V.B.A.)
- coöperatieve vennootschap met beperkte aansprakelijkheid (C.V.B.A.)
- coöperatieve vennootschap met onbeperkte aansprakelijkheid (C.V.O.A.)
- naamloze vennootschap (N.V.)
- commanditaire vennootschap op aandelen (Comm.V.A.)
- economisch samenwerkingsverband (E.S.V.)
Elk van de voornoemde vennootschappen kan bovendien worden opgericht “met sociaal oogmerk”
- landbouwvennootschap (L.V.)
- Europees economisch samenwerkingsverband (E.E.S.V.)
- bijkantoor van buitenlandse vennootschappen
- Belgische vereniging zonder winstoogmerk (V.Z.W.)
- bijkantoren van buitenlandse VZW
- stichting
- internationale VZW
- de Europese Vennootschap (Societas Europaea, SE)
b) Rechtspersonen “in oprichting”:
De aanvrager moet effectief over rechtspersoonlijkheid beschikken op het moment dat de subsidie-overeenkomst wordt ondertekend. Bij indiening van het projectvoorstel is dit bijgevolg geen vereiste (start-ups, nieuwe spin-offs in “incubatiefase”, enz.)
c) UITZONDERING: Onderzoeksinstellingen
Volgende instellingen kunnen niet als aanvrager voor O&O-bedrijfssteun optreden:
- Rechtspersonen die van overheidswege belast zijn met onderzoeksopdrachten
- Collectieve onderzoekcentra
- Instellingen die beroep doen op modaliteiten en steunregelingen gericht op onderzoeksinstellingen
- Rechtspersonen die rechtstreeks of onrechtstreeks van voornoemde instellingen afhangen
d) BIJKOMENDE VOORWAARDEN:
Niet beschikken over een wettelijk monopolie
Bedrijven die op grond van een wettelijke bepaling beschikken over een absoluut monopolie binnen het grondgebied van het Vlaamse Gewest of binnen een wezenlijk deel daarvan, komen niet in aanmerking voor steun voor hun O&O-projecten, tenzij het project waarvoor zij steun aanvragen buiten het valorisatiegebied van dit monopolie valt.
Er is sprake van een monopolie wanneer er op de gegeven markt geen concurrentie is en/of er voor de producten en/of diensten die het betrokken bedrijf aanbiedt geen substitutiemogelijkheden of alternatieven voorhanden zijn
Deze uitzondering is gerechtvaardigd omwille van het feit dat deze bedrijven op grond van de wettelijke bepalingen in staat zijn hun onkosten voor O&O door te rekenen in hun tarieven, prijzen, overheidsdotaties of andere bronnen van inkomsten.
Niet beschikken over een machtspositie
Een onderneming heeft een machtspositie wanneer zij in staat is om de instandhouding van werkelijke concurrentie te verhinderen en wanneer zij daardoor de mogelijkheid heeft om zich t.o.v. concurrenten, afnemers of leveranciers in belangrijke mate onafhankelijk te gedragen. Een onderneming beschikt over een machtspositie wanneer zij op de valorisatiemarkt waarop het O&O-project slaat een marktaandeel heeft van meer dan 50%.
In dergelijk geval zal de Raad van Bestuur oordelen of deze machtspositie binnen de valorisatiemarkt waarop het O&O-project slaat en met name binnen het grondgebied van het Vlaamse Gewest of binnen een wezenlijk deel daarvan voldoende concurrentieverstorend kan zijn, zodat zij een voldoende reden vormt om steun te weigeren, naar analogie met een wettelijk monopolie, nog vóór de evaluatie van het betreffende project wordt aangevat.
Link naar een aantal voorbeelden
a) Basiscriteria
Eenk mo is een zelfstandig bedrijf met niet meer dan 250 werknemers én met een jaaromzet van minder dan € 50 miljoen óf een balanstotaal van minder dan € 43 miljoen.
Een kleine onderneming? (ko) is een zelfstandig bedrijf met niet meer dan 50 werknemers én met een jaaromzet van minder dan € 10 miljoen of een balanstotaal van minder dan € 10 miljoen.
Een onderneming die vaststelt dat zij op het laatst afgesloten boekjaar de criteria overschrijdt, verliest de hoedanigheid van kmo (of van ko) slechts wanneer deze situatie zich gedurende twee opeenvolgende boekjaren voordoet en vice versa.
b) Zelfstandigheid
In bepaalde gevallen moeten voor de berekening van deze criteria ook de gegevens van andere ondernemingen meegeteld worden (“consolidatie”). Dit is het geval wanneer de onderneming geen zelfstandig bedrijf is.
Een bedrijf verliest zijn zelfstandigheid wanneer er een (of meer)“partneronderneming” of “verbonden onderneming” is (zijn).
c) Wat zijn partnerondernemingen?
Partnerondernemingen zijn ondernemingen waartussen een deelnemingsrelatie – direct of samen met een of meer verbonden vennootschappen – bestaat van 25% of meer van het kapitaal of de stemrechten.
Deze drempel van 25% geldt niet wanneer dat percentage in handen is van openbare participatiemaatschappijen, risicokapitaalmaatschappijen, personen die geregeld risicokapitaal beleggen of institutionele beleggers, met inbegrip van regionale ontwikkelingsfondsen, universiteiten of particuliere onderzoekscentra zonder winstoogmerk, op voorwaarde dat deze individueel noch gezamenlijk als “verbonden onderneming”, zoals hierna bedoeld, worden beschouwd.
Een participatie- of risicokapitaalmaatschappij is een onderneming die specifiek als doelstelling heeft het nemen van participaties en deelnemingen in andere ondernemingen en eventueel het al dan niet deelnemen aan het bestuur van die ondernemingen.
d) Wat zijn verbonden ondernemingen?
Een onderneming is met een andere onderneming verbonden wanneer:
a. zij over deze andere onderneming een controlebevoegdheid uitoefent
b. deze andere onderneming een controlebevoegdheid over haar uitoefent
c. zij met andere ondernemingen een consortium vormt
d. andere ondernemingen, bij weten van haar bestuursorgaan, onder de controle staan van de ondernemingen bedoeld in a), b) en c).
In afwijking van de Europese Aanbeveling worden universiteiten of particuliere onderzoekscentra zonder winstoogmerk niet als verbonden onderneming beschouwd t.o.v. de door hen opgerichte spin-offs, zelfs al bevinden zij zich in een hierboven onder a) tot d) bedoelde situatie.
e) Wat is controle?
Een onderneming heeft controle over een andere onderneming wanneer zij de juridische of feitelijke bevoegdheid heeft om een beslissende invloed uit te oefenen op de aanstelling van de meerderheid van bestuurders of zaakvoerders of op de oriëntatie van het beleid.
Er is altijd een beslissende invloed:
1° wanneer een onderneming de meerderheid van de stemrechten heeft
2° wanneer een vennoot het recht heeft de meerderheid van de bestuurders of zaakvoerders te benoemen of te ontslaan
3° wanneer een vennoot krachtens de statuten van de betrokken onderneming of krachtens met die onderneming gesloten overeenkomsten over de controlebevoegdheid beschikt
4° wanneer op grond van een overeenkomst met andere vennoten van de betrokken onderneming, een vennoot beschikt over de meerderheid van de stemrechten verbonden aan het totaal van de aandelen van die onderneming
5° in geval van gezamenlijke controle, d.w.z. controle uitgeoefend in overleg met anderen.
f) Wat is een consortium?
Er is een “consortium” wanneer verschillende ondernemingen, die geen dochtervennootschappen zijn van elkaar, noch dochtervennootschappen zijn van één en dezelfde onderneming, onder centrale leiding staan.
Een onderneming staat onder “centrale leiding”:
1° wanneer de centrale leiding van deze ondernemingen voortvloeit uit tussen deze ondernemingen gesloten overeenkomsten of uit statutaire bepalingen, of
2° wanneer hun bestuursorganen voor het merendeel bestaan uit dezelfde personen.
3° wanneer - behoudens tegenbewijs - de meerderheid van haar aandelen worden gehouden door dezelfde personen, zelfs als dit natuurlijke personen zijn.
Jaarlijks beslist IWT hoe de projecten geselecteerd worden zodat de beschikbare budgetten het best worden aangewend. Als de gevraagde steun hoger is dan de beschikbare middelen, moet tussen de aanvragen die in principe goedgekeurd werden, gekozen worden. Om te voorkomen dat in de loop van het jaar de budgettaire middelen onvoldoende zouden blijken te zijn om aan de vraag te voldoen zodat zelfs de beste projecten niet zouden kunnen gesteund worden, wordt een selectiviteitsmechanisme ingesteld.
De volledige uitleg over de wijze waarop in het lopend werkjaar prioriteiten gesteld worden t.a.v. goedgekeurde steunaanvragen, namelijk de selectiviteit kan je in een toelichtingsdocument selectiemechanisme bij de subsidies in het documenten overzicht terugvinden (zie tab documenten).
Er kan op verschillende manieren met buitenlandse organisaties samengewerkt worden:
Hieronder vindt u een voorlopige oplijsting van steunmaatregelen die onder de de-minimisregel vallen :
IWT
Vlaams Innovatiefonds (VINNOF)
Achtergestelde leningen toegekend in het kader van IWT-projecten en/of –studies, maar slechts in de mate deze gepaard gaan met een verlaagde rentevoet , d.i. de Europese referentie-interestvoet (beschikbaar op: http://ec.europa.eu/comm/competition/state_aid/legislation/reference_rates.html).
Agentschap? Ondernemen
FIT : exportsubsidies
PMV
De Waarborgregeling zou vanaf 2008 gebaseerd worden op de de-minimisverordening, maar het wijzigen van het decreet is nog niet volledig rond. Die maatregel zal wel een groot deel van het de minimis budget gebruiken.
Er geldt immers een subsidie-equivalent van 13%.vb. Als het gewaarborgde gedeelte van de lening 1.500.000 bedraagt is het subsidie-equivalent 200.000 steun en is de drempel bereikt. Dat is lineair, dus een lening van 500.000 euro, geeft 66.666 euro steun, een van 1.000.000 geeft 133.333 euro steun,...
Federaal zijn er ook de achtergestelde leningen van het Participatiefonds, die onder de de-minimis vallen.
Bij de indiening van de projectaanvraag, dient een degelijk cofinancieringsplan voorgelegd te worden. Hierin wordt beschreven op welke manier de cofinanciering zal gerealiseerd worden voor het ganse traject. Wel is het mogelijk dat bepaalde bedrijven zich reeds vanaf de aanvang van het traject (financieel) zullen engageren en andere (type) bedrijven op een later moment instappen. Dit kan afhangen van de opzet en de planning van het traject.
De 20% co-financiering wordt gezien als een maat van commitment van de doelgroepbedrijven en het gecreëerde draagvlak bij deze doelgroep. Dit is een evaluatiecriterium.
Neen, kleinere (niche) sectoren zijn niet bij voorbaat uitgesloten. Er zal eerder gekeken worden of de omvang van het project in verhouding is met de grootte van de doelgroep, de resultaten die mogen verwacht worden, en de impact ervan voor de doelgroepbedrijven. Daarnaast is het belangrijk dat er voldoende absorptiecapaciteit is bij de doelgroepbedrijven, zodat een kennis- of competentieverhoging bij die bedrijven zich op termijn vertaalt in economisch toegevoegde waarde? voor de betrokken sector.
LA-trajecten kunnen niet verlengd worden. Projecten tot 4 jaar kunnen wel een uitbreiding (van max. 2 jaar) van het project aanvragen, mits verruiming van de doelstellingen en op voorwaarde dat duidelijke resultaten voorgelegd kunnen worden. Aanvragen tot uitbreiding worden in competitie met nieuwe projectvoorstellen geëvalueerd.
Een LA-traject moet binnen de opgegeven projectduur aanleiding geven tot concrete innovaties/ toepassingen. Projecten tot 6 jaar moeten bij de tussentijdse evaluatie na 4 jaar (waarvoor externe deskundigen worden ingeschakeld) reeds de nodige resultaten kunnen voorleggen. Een traject dat in hoofdzaak bestaat uit onderzoeksactiviteiten komt niet voor steun in aanmerking. Het verwerven van kennis speelt een belangrijke rol in een LA-traject, maar de doelstelling moet zijn zichtbare veranderingen teweeg te brengen bij de doelgroepbedrijven door het concreet toepassen van die kennis.
De projectduur is afhankelijk van het ‘traject’ dat nog moet afgelegd worden om tot concrete innovaties en zichtbare veranderingen bij de doelgroepbedrijven te komen. Een volledige projectduur bedraagt typisch 4 jaar, maar LA-trajecten kunnen een looptijd hebben van minimaal 2 tot maximaal 6 jaar, met een tussentijdse evaluatie om de 2 jaar.
De bezetting van een LA-traject mag in totaal maximum 8 VTE bedragen (m.a.w. voor een project van 6 jaar zijn dit 576 mm). Het aantal VTE mag echter geen streefdoel op zich zijn. Projectomvang en –budget dienen in verhouding te staan met de na te streven doelstellingen, de grootte van de te bereiken doelgroep en de te verwachten (economische) meerwaarde.
Als mede-aanvrager/uitvoerder is het bedrijf automatisch lid van de gebruikersgroep, maar zonder rechtsgeldige stem in de aansturing van het project.
Elk doelgroepbedrijf uit de agrovoedingsketen heeft de mogelijkheid om een bijdrage te leveren in de cofinanciering: individueel of via beroeps- en sectororganisaties.
Hetzelfde bedrijf kan daarnaast, voor een beperkt deel van het traject, begunstigde? worden van steun volgens de modaliteiten van de O&O-subsidieregeling (van 25 tot 55% steun, al naargelang de grootte van het bedrijf en de vorm van samenwerking). Op voorwaarde dat de activiteiten die uitgevoerd worden in het kader van het ‘bedrijfsproject’ duidelijk en correct afgelijnd worden zowel naar werkplan als budget, zodat geen vermenging kan optreden.
Indien een bedrijf dat lid is van de gebruikersgroep specifieke goederen of diensten levert, nodig voor de uitvoering van het traject, dient het bedrijf hiervoor betaald te worden en dienen deze kosten ingebracht onder de werkingskosten van het project (cfr. onderaanneming). Echter wanneer dit bedrijf bereid zou zijn om de geleverde goederen of diensten te beschouwen als een bijdrage in de cofinanciering, volstaat het als deze kosten door middel van een debet/creditnota of facturatie (incl. BTW) ondubbelzinnig aangetoond kunnen worden.
Bij de indiening van de projectaanvraag wordt een sluitend cofinancieringsplan verwacht dat gezien wordt als een maat voor de betrokkenheid van de effectieve doelgroep. De cofinanciering kan ingevuld worden op verschillende wijzen: lidgelden van leden van de gebruikersgroep, inkomsten uit de organisatie van studiedagen/workshops, vergoeding voor geleverde diensten in het kader van het opzetten en begeleiden van praktijktoepassingen,… Een belangrijk upfront financieel engagement -van verschillende schakels in de agrovoedingsketen- verdient echter aanbeveling. Dit kan bv. aangetoond worden aan de hand van gemotiveerde intentieverklaringen.
Het betrekken van niet-Vlaamse partners is mogelijk –via onderaanneming– en voor zover relevant voor de uitvoering van het project. Bij de projectaanvraag dient een motivatie en kostenraming (vanaf € 5.000) gevoegd te worden. De kosten dienen ingebracht onder de werkingskosten van het project. De organisatie die de onderaanneming uitbesteedt (d.i. de kennisinstelling) moet de voor haar toepasselijke wetgeving volgen. De geselecteerde onderaannemer? wordt een contractant van de kennisinstelling en is geen rechtstreekse begunstigde? en dus ook geen mede-ondertekenaar van de IWT-overeenkomst. Zie ook het toelichtingsdocument ‘Publiekrechtelijke verplichtingen’ op de IWT website.
Projecten die in hoofdzaak gericht zijn op innovatie bij een collectief van bedrijven uit de toeleverings- of de verwerkende industrie horen thuis in de VIS?-trajecten. Bij LA-trajecten daarentegen gaat de vraag uit van de primaire sector. De doelstelling van het programma is met name het duurzamer en competitiever maken van de Vlaamse land- en tuinbouw. Van een LA-traject wordt dan ook verwacht dat bedrijven/organisaties uit de primaire sector actief betrokken worden bij de voorbereiding van de projectaanvraag. Verder moet er tijdens de uitvoering van het traject een duidelijke kennisoverdracht zijn naar de land- en tuinbouwbedrijven die resulteert in praktijktoepassingen.
Het is inderdaad zo dat enkel kennisinstellingen (Vlaamse instellingen van hoger onderwijs, onderzoeksinstellingen en praktijkcentra) een projectaanvraag kunnen indienen voor een LA-traject. Het is mogelijk voor kennisinstellingen om samen met een collectief van bedrijven uit de toeleverings- of de verwerkende industrie LA-trajecten op te zetten. VIS?-organisaties kunnen in dit geval optreden als mede-aanvrager, en in aanmerking komen voor subsidie in het kader van de VIS-trajecten regeling (80% steun). Het budgettair aandeel moet evenwel beperkt blijven t.o.v. de totale projectbegroting van het LA-traject.
Indien een LA-traject kennis of technologie oplevert die nuttig kan zijn voor bedrijven in de toeleverings- of verwerkende industrie is er sprake van een ‘spillover’ effect. In dat geval kunnen die bedrijven de nuttige kennis/technologie in een apart innovatietraject verder ontwikkelen en vermarkten.
