Frequently Asked Questions

Heeft u een vraag voor het IWT? Dan bekijkt u misschien best even deze lijst met vaak gestelde vragen.


Jaarlijks beslist IWT hoe de projecten geselecteerd worden zodat de beschikbare budgetten het best worden aangewend.  Als de gevraagde steun hoger is dan de beschikbare middelen, moet tussen de aanvragen die in principe goedgekeurd werden, gekozen worden.  Om te voorkomen dat in de loop van het jaar de budgettaire middelen onvoldoende zouden blijken te zijn om aan de vraag te voldoen zodat zelfs de beste projecten niet zouden kunnen gesteund worden, wordt een selectiviteitsmechanisme ingesteld.

De volledige uitleg over de wijze waarop in het lopend werkjaar prioriteiten gesteld worden t.a.v. goedgekeurde steunaanvragen, namelijk de selectiviteit kan je bij elk van de subsidies in het documenten overzicht terugvinden (zie tab documenten).

In het financieringsbesluit van de Vlaamse regering wordt een “bedrijf” niet nader gedefinieerd.  In het verleden werd daarom bij twijfelgevallen op ad hoc basis beslist wie wel of wie niet formeel in aanmerking kwam om aanvragen in te dienen.

 In de praktijk kwamen de vragen vooral van:

  • zelfstandigen die een “bedrijf” hebben zonder rechtspersoonlijkheid
  • vzw's
  • bijkantoren van buitenlandse vennootschappen
  • intercommunales
  • overheidsbedrijven
  • onderzoeksinstellingen
  • bedrijven met een (quasi-)monopolie of met een “machtspositie” op de valorisatiemarkt

De voogdij-overheid heeft hierover het volgende beslist:

a)    De onderneming moet over rechtspersoonlijkheid beschikken, en haar economische activiteit moet op duurzame wijze uitgeoefend worden door middel van een vestiging in het Vlaamse Gewest.

Ter verduidelijking volgt hier een opsomming van de meest courante vormen van rechtspersonen, die aan het ontvankelijkheidscriterium voldoen.  In eerste instantie betreft het de volgende vennootschappen (met burgerlijk of handelsdoel):

-    vennootschap onder firma (V.O.F.)
-    gewone commanditaire vennootschap (Comm.V.)
-    besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid (B.V.B.A.)
-    coöperatieve vennootschap met beperkte aansprakelijkheid (C.V.B.A.)
-    coöperatieve vennootschap met onbeperkte aansprakelijkheid (C.V.O.A.)

-    naamloze vennootschap (N.V.)
-    commanditaire vennootschap op aandelen (Comm.V.A.)
-    economisch samenwerkingsverband (E.S.V.)

Elk van de voornoemde vennootschappen kan bovendien worden opgericht “met sociaal oogmerk” 

-   landbouwvennootschap (L.V.)
-   Europees economisch samenwerkingsverband (E.E.S.V.)
-   bijkantoor van buitenlandse vennootschappen
-   Belgische vereniging zonder winstoogmerk (V.Z.W.)
-   bijkantoren van buitenlandse VZW
-   stichting
-   internationale VZW
-   de Europese Vennootschap (Societas Europaea, SE)

Let op: bovenvermelde vennootschappen opgericht "met sociaal oogmerk" kunnen geen bijkomende achtergestelde lening vanuit het Vlaams Innovatiefonds aanvragen. 

b)    Rechtspersonen “in oprichting”:

De aanvrager moet effectief over rechtspersoonlijkheid beschikken op het moment dat de subsidie-overeenkomst wordt ondertekend.  Bij indiening van het projectvoorstel is dit bijgevolg geen vereiste (start-ups, nieuwe spin-offs in “incubatiefase”, enz.)

c)    UITZONDERING: Onderzoeksinstellingen

 Volgende instellingen kunnen niet als aanvrager voor O&O-bedrijfssteun optreden:

-   Rechtspersonen die van overheidswege belast zijn met onderzoeksopdrachten
-  
Collectieve onderzoekcentra
-  
Instellingen die beroep doen op modaliteiten en steunregelingen gericht op onderzoeksinstellingen
-  
Rechtspersonen die rechtstreeks of onrechtstreeks van voornoemde instellingen afhangen
 

d)    BIJKOMENDE VOORWAARDEN:

Niet beschikken over een wettelijk monopolie

Bedrijven die op grond van een wettelijke bepaling beschikken over een absoluut monopolie binnen het grondgebied van het Vlaamse Gewest of binnen een wezenlijk deel daarvan, komen niet in aanmerking voor steun voor hun O&O-projecten, tenzij het project waarvoor zij steun aanvragen buiten het valorisatiegebied van dit monopolie valt.

Er is sprake van een monopolie wanneer er op de gegeven markt geen concurrentie is en/of er voor de producten en/of diensten die het betrokken bedrijf aanbiedt geen substitutiemogelijkheden of alternatieven voorhanden zijn

Deze uitzondering is gerechtvaardigd omwille van het feit dat deze bedrijven op grond van de wettelijke bepalingen in staat zijn hun onkosten voor O&O door te rekenen in hun tarieven, prijzen, overheidsdotaties of andere bronnen van inkomsten.

Niet beschikken over een machtspositie

Een onderneming heeft een machtspositie wanneer zij in staat is om de instandhouding van werkelijke concurrentie te verhinderen en wanneer zij daardoor de mogelijkheid heeft om zich t.o.v. concurrenten, afnemers of leveranciers in belangrijke mate onafhankelijk te gedragen.  Een onderneming beschikt over een machtspositie wanneer zij op de valorisatiemarkt waarop het O&O-project slaat een marktaandeel heeft van meer dan 50%.

In dergelijk geval zal de Raad van Bestuur oordelen of deze machtspositie binnen de valorisatiemarkt waarop het O&O-project slaat  en met name binnen het grondgebied van het Vlaamse Gewest of binnen een wezenlijk deel daarvan voldoende concurrentieverstorend kan zijn, zodat zij een voldoende reden vormt om steun te weigeren, naar analogie met een wettelijk monopolie, nog vóór de evaluatie van het betreffende project wordt aangevat.

 


Alhoewel één bedrijf alleen een O&O-bedrijfsproject kan uitvoeren, zullen er dikwijls meerdere bedrijfspartners, onderzoekspartners en onderaannemers betrokken zijn. In dat geval is er dus een samenwerking, die de volgende vormen kan aannemen.
  1. Een project kan aangevraagd worden door meerdere bedrijven samen waarbij elk bedrijf een deel van het project uitvoert, en een eigen valorisatierationale heeft. Alle bedrijven zijn in dat geval contractant (bedrijfspartner) en moeten de subsidie-overeenkomst met IWT ondertekenen. Zij staan in voor hun aandeel in de kosten en dragen mee het risico van het project. Zij hebben elk hun deel van de intellectuele eigendomsrechten en zijn in principe ieder verplicht tot voldoende valorisatie van de projectresultaten in Vlaanderen. Tussen bedrijfspartners is een samenwerkingsovereenkomst vereist die de onderlinge rechten en plichten regelt. De aanvragers stellen een coördinator aan die ondermeer instaat voor de interactie met IWT.
  2. Een project kan ook uitgevoerd worden in samenwerking met één (of meerdere) (onderzoeks)partner(s), doorgaans een onderzoeksinstelling, universiteit of hogeschool. Een onderzoekspartner neemt een deel van het projectuitvoering op zich, m.i.v. de strategie, en zijn inbreng is noodzakelijk voor de uitvoering van het project. De onderzoekspartner is echter geen ondertekenaar van de overeenkomst met IWT en wordt 100% vergoed door de bedrijfspartner(s). Alle contractuele verplichtingen zijn de verantwoordelijkheid van de contractant(en). De onderzoekspartner heeft ten aanzien van het IWT geen verplichting tot valorisatie in Vlaanderen. Een onderlinge samenwerkingsovereenkomst tussen de contractant(en) en de onderzoekspartner(s) is vereist. Er moet een aparte begroting en een aparte financiële verslaggeving voor de onderzoekspartner(s) opgesteld worden.
  3. In een project kan de uitvoering van bepaalde delen ook uitbesteed worden aan onderaannemers. De taken van onderaannemers kunnen van verschillende aard zijn, zowel kennisinbreng als eerder routinematige taken : bijvoorbeeld het uitvoeren van routine tests, het bouwen van een deel van een prototype, een deel van het programmeren, ... In het laatste geval nemen onderaannemers geen deel aan de strategie van het project en zijn bijgevolg vlot inwisselbaar. Hun kosten worden voor 100% vergoed door de opdrachtgever. De verantwoording van de kosten geschiedt via een factuur aan de opdrachtgever en de betaling ervan door deze. In geval van grote onderaannemingen zal wel een gedetailleerde verantwoording van de factuur gevraagd worden.

Grensoverschrijdende samenwerking wordt sterk gestimuleerd. Ze kan plaatsvinden onder verschillende vormen : 
  1. Een bedrijf kan beroep doen op een onderzoeksinstelling of een bedrijf als onderaannemer? in het buitenland. Hierbij gelden dezelfde regels als voor de Vlaamse onderzoekspartners of onderaannemers. Let wel op dat een bedrijf dat een eigen valorisatierationale heeft (die bijvoorbeeld blijkt uit het opbouwen van eigen intellectuele eigendom of exploitatie van de resultaten) of zijn eigen risico draagt, niet als een onderaannemer zal beschouwd worden. De facturen die de bedrijfspartner krijgt voor de uitvoering van het project vormen binnen de regels van het kostenmodel een subsidieerbare kost.

    Wanneer het bedrijf buiten Vlaanderen met een Vlaamse bedrijfspartner verbonden is, moet dit bedrijf zijn kosten inbrengen op dezelfde manier als een Vlaams bedrijf en zijn er bijvoorbeeld geen winsttoeslagen e.d. aanvaardbaar.

    In elk geval is het zo dat maximaal 50% van de steun betrekking mag hebben op activiteiten buiten Vlaanderen.
  2. Een bedrijf kan ook samenwerken met bedrijven buiten Vlaanderen in een gemeen­schappelijk, grensoverschrijdend project, elk voor eigen rekening. Dit kan in de eerste plaats gebeuren binnen formele regelingen zoals EUREKA, ERA-netten en andere internationale instrumenten. Indien daar niet de juiste mogelijkheden worden geboden, kan naar een ad hoc oplossing gezocht worden. Het staat een bedrijf dus vrij om een dergelijke samenwerking uit te voeren, maar de kosten van dergelijke buitenlandse partijen zullen natuurlijk niet voor subsidie in aanmerking komen. De niet-Vlaamse bedrijven moeten ofwel zelf voor hun eigen kosten instaan of steun krijgen van hun overheid. Bovendien moeten de exploitatierechten van de Vlaamse bedrijven gewaarborgd blijven.

  1. Patiëntenstudies en preklinische studies worden op dezelfde basis behandeld als andere types van onderzoek. In het algemeen worden onderzoeksactiviteiten die integraal deel uitmaken van product- of procesontwikkeling bijvoorbeeld gesteund onder het regime van prototype/ontwikkeling, aan een basissteunpercentage van 25%. Na de productontwikkeling zijn in meerdere sectoren diverse testen gangbaar, zoals veldtesten, proefruns, pilootruns voor marktacceptatie, opschaling, testen vor accreditatie enz. . Deze testen worden beschouwd als natraject en worden niet gesteund.
  2. Enkel wanneer patiëntenstudies en preklinische studies primair tot doel hebben om gegevens te verzamelen die vereist zijn om productontwikkeling te sturen, maken zij deel uit van productontwikkeling en kunnen ze gesteund worden binnen dit regime. Wanneer patiëntenstudies of preklinische studies tot doel hebben om de wettelijk vereiste van registratie te ondersteunen en er geen rechtstreeks verband is met productontwikkeling, worden ze als een niet steunbare activiteit gezien.
  3. Voor medical devices kan gesteld worden dat het verzamelen van parameters van menseljike proefpersonen vereist voor ontwikkeling van het finale toestel aanvaard wordt. Wettelijk vereiste testen voor registratie van een gefinaliseerd toestel zijn niet steunbaar.
  4. Bij invasieve therapeutica wordt dezelfde logica gevolgd. Fase 0 studies behoren in deze logica tot het steunbare traject. Vroege stadia in de klinische testen zoals fase I en zelfs fase IIa kunnen deel uitmaken van een ontwikkelingstraject indien er sprake is van een eerste principebewijs. Deze situatie kan zich voordoen wanneer er een duidelijke terugkoppeling is naar productontwikkeling, m.a.w. dat gegevens van testen met een experimenteel product gebruikt worden om het product verder te optimaliseren. Dit kan zich ook voordoen wanneer er sprake is van ‘first of a kind’ of van technologieën die als ‘nieuw voor de wereld’ kunnen beschouwd worden. In het grensvlak tussen vroege steunbare testen en niet steunbare testen die een registratiedoel hebben, stelt het IWT zich in regel soepel op naar KMO?’s die doorgaans niet over de capaciteit beschikken om het volledige traject tot marktintroductie in eigen beheer uit te voeren. Voor zo’n bedrijven kan een vroeg principebewijs een absolute vereiste zijn om de financiële middelen te verkrijgen voor verdere valorisatie. Fase III studies kunnen onder geen beding gesteund worden.
  5. In elk geval dient de totale aanvaardbare begroting voor de patiëntenstudies beperkt te blijven tot een redelijk bedrag en zullen kosten van dit type maar aanvaard worden voor zover de proportie tot de totale ontwikkelingskost beperkt blijft (in de orde van grootte van 20% van de totale aanvaardbare IWT-projectkosten).

In deze voorbeelden wordt ingegaan op de valorisatie-aspecten en in het bijzonder de toegevoegde waarde. De inhoudelijke aspecten zijn even belangrijk, maar voor de eenvoud wordt er van uitgegaan dat alle voorbeelden hier op wetenschappelijk vlak goede projecten betreffen en dat de andere aspecten van valorisatie goed scoren. Deze voorbeelden hebben natuurlijk enkel een informatieve waarde en illustreren hoe IWT de valorisatie benadert. Aan deze voorbeelden kunnen geen rechten worden ontleend.
Het is zeker niet de bedoeling dat een aanvrager via cut and paste een scenario opstelt. Elk geval is anders en IWT wil juist de mogelijkheid laten om binnen de eigen bedrijfscontext valabele scenario’s op te bouwen.

  1. De Vlaamse vestiging van een farmaceutisch bedrijf voert een onderzoeksproject uit naar een nieuwe screeningsmethode waarvoor ongeveer 2 miljoen euro steun toegekend wordt. Het IWT-project eindigt met hit selectie. Aansluitend aan het project worden de activiteiten verder gezet in Vlaanderen met een hit-to-lead programma, lead optimalisatie, gevolgd door toxicologie, farmacokinetiek, en uiteindelijk klinische testen. Door de lange ontwikkelingstijd gebeurt marktintroductie van het geneesmiddel 15 jaar na het einde van het IWT-project.

    Met een verwachte ontwikkelingskost met een waarde waarde creatie in Vlaanderen van 30 miljoen euro in een periode van 10 jaar na het einde van dit project zou voor dit voorbeeld de valorisatieverwachting in de a priori inschatting bij selectie voldoende zijn. Voor de contractuele voorwaarde bij valorisatie in het buitenland is zelfs 20 miljoen euro voldoende. Gezien de hoge kosten voor ontwikkeling van een geneesmiddel kan verwacht wordt dat de reële kosten veel hoger zullen liggen. Het feit dat omzet uit verkoop slechts na de het einde van de contractuele periode van maximaal 10 jaar gerealiseerd wordt heeft geen impact op de invulling van de valorisatieverwachting.

Volgende voorbeelden worden louter gegeven als illustratie.  Er kunnen op zich geen rechten aan ontleend worden.  De interpretatie van het karakter van de activiteiten in een project is complex en afhankelijk van nuances.  Op het eerste zicht sterke gelijkende projecten kunnen dus uiteindelijk een andere kwalificatie krijgen.

  1. Een bedrijf uit de metaalsector, wenst zijn proces te optimaliseren met de bedoeling stilstand te verlagen en betere milieu- en energieprestaties te behalen.. Zuiverheid, samenstelling en ook structuur van het materiaal zijn hierin belangrijke parameters.
    In eerste stap wil men vooral komen tot het doorgronden van de relatie tussen het productieproces en de performantie van het geproduceerde materiaal door verbanden te leggen of te verklaren tussen procesparameters en materiaalparameters (structuur bv.). Het inzetten van analysetechnieken kan hierin als ondersteunende taak worden opgenomen. Een ander aspect kan zijn dat men ook de performantie bij latere toepassing hiermee in verband wil brengen. Hier kan het gaan om breuk-, slijtage-, sterktefenomenen, afhankelijk van de applicatie waar men zich toe richt. In een tweede stap zal men dan overgaan tot een concrete nieuwe materiaalsamenstelling voor een geselecteerde toepassing, wat het einddoel van dit projectonderdeel is.
    Dit deel kan omwille van de kennisopbouw door het belang dat gehecht wordt aan het doorgronden van deze stappen en materiaaleigenschappen als een onderzoeksproject beschouwd worden. Een illustratie hiervan is de mogelijkheid dat de kennis kan geëxtrapoleerd worden naar andere materiaalsamenstellingen. Belangrijk is dat men in deze fase inzichten over het “waarom” van bepaalde fenomenen wil opbouwen; deze kennis is niet beschikbaar of toegankelijk.
    Wanneer het project vooral gericht is op verbeterde producten en/of ontwikkeling van bepaalde nieuwe of duidelijk aangepaste stappen of deelprocessen, gaat het om een ontwikkelingsproject, aangezien hier een beperkte kennisverwerving is, ondanks het resterende technologisch risico.
    Deelprocessen die slechts in beperkte mate geoptimaliseerd worden en incrementeel aangepast door bv. kleine machine-aanpassingen, horen tot het niet-steunbare deel van het innovatietraject.
     
  2. Een chemisch bedrijf in basisproducten wenst als eerste een totaal nieuw product te lanceren dat voor dezelfde applicaties kan ingezet worden.
    In een haalbaarheidsstudie wordt de mogelijkheid ten gronde onderzocht van een nieuwe syntheseroute en bijhorende moleculaire structuur. Een selectie van nieuwe moleculen op laboschaal is beschikbaar op het einde van dit traject. Andere activiteiten kunnen worden opgebouwd rond het modelleren zodat correlaties kunnen gelegd worden tussen structuur en performanties ervan. Deze taken maken de hoofdmoot uit van een onderzoeksproject, gezien het hoge risico en de belangrijke kennisverwerving, ook t.o.v. de state-of-the-art. De uiteindelijk geselecteerde materialen zullen hun impact hebben op de processing binnen het bedrijf.
    Bij beperkte noodzakelijke aanpassingen in de processing, bepaalt een opschaling om de resultaten van de materiaalontwikkeling, praktisch bruikbaar te maken naar een concrete toepassing het ontwikkelingskarakter van het project. Uitspraken over het finale productieproces met inbegrip van de beschikbaarheid van het eindmateriaal op beperkte schaal, kunnen tot het innovatiedoel van dit deelproject behoren.
    Verdere opschaling tot industriële schaal en consumententesten horen tot het niet-steunbare deel.

U vindt hier een overzicht van de belangrijkste fiscale O&O-stimuli van de federale overheid ten behoeve van de ondernemingen.

Het overzicht is gebaseerd op basis van de voor het IWT in december 2008 beschikbare informatie. Vanzelfsprekend is dit louter ter informatie bedoeld en kan IWT geen enkele verantwoordelijkheid nemen over de accuraathied van de gegevens.

Het volledige document met alle informatie betreffende de 4 groepen van fiscale steunmaatregelen die u hieronder opgelijst vindt, kan u hier weldra downloaden.

We onderscheiden 4 groepen van fiscale steunmaatregelen:
  1. Groep 1 : Vrijstelling van belasting van premies en kapitaal- en interestsubsidies die door gewestelijke instellingen in het raam van de steun aan onderzoek en ontwikkeling worden toegekend aan vennootschappen (WIB 92, artikel 193ter);
  2. Groep 2 : Vrijstelling doorstorting bedrijfsvoorheffing (WIB92, Artikel 275));
  3. Groep 3 : Investeringsaftrek (WIB 92,Artikel 69) en belastingkrediet voor onderzoek en ontwikkeling
  4. Groep 4: Aftrek voor octrooi-inkomsten (WIB92, Artikel 205);
Voor meer gedetailleerde informatie met betrekking tot de inhoud en de te volgen procedures kan u best contact opnemen met de administratie van de FOD Financiën (www.minfin.fgov.be) of uw eigen belastingconsulent.

In het financieringsbesluit van de Vlaamse regering wordt een “bedrijf” niet nader gedefinieerd.  In het verleden werd daarom bij twijfelgevallen op ad hoc basis beslist wie wel of wie niet formeel in aanmerking kwam om aanvragen in te dienen.

 In de praktijk kwamen de vragen vooral van:

  • zelfstandigen die een “bedrijf” hebben zonder rechtspersoonlijkheid
  • vzw's
  • bijkantoren van buitenlandse vennootschappen
  • intercommunales
  • overheidsbedrijven
  • onderzoeksinstellingen
  • bedrijven met een (quasi-)monopolie of met een “machtspositie” op de valorisatiemarkt

De voogdij-overheid heeft hierover het volgende beslist:

a)    De onderneming moet over rechtspersoonlijkheid beschikken, en haar economische activiteit moet op duurzame wijze uitgeoefend worden door middel van een vestiging in het Vlaamse Gewest.

Ter verduidelijking volgt hier een opsomming van de meest courante vormen van rechtspersonen, die aan het ontvankelijkheidscriterium voldoen.  In eerste instantie betreft het de volgende vennootschappen (met burgerlijk of handelsdoel):

-    vennootschap onder firma (V.O.F.)
-    gewone commanditaire vennootschap (Comm.V.)
-    besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid (B.V.B.A.)
-    coöperatieve vennootschap met beperkte aansprakelijkheid (C.V.B.A.)
-    coöperatieve vennootschap met onbeperkte aansprakelijkheid (C.V.O.A.)

-    naamloze vennootschap (N.V.)
-    commanditaire vennootschap op aandelen (Comm.V.A.)
-    economisch samenwerkingsverband (E.S.V.)

Elk van de voornoemde vennootschappen kan bovendien worden opgericht “met sociaal oogmerk” 

-   landbouwvennootschap (L.V.)
-   Europees economisch samenwerkingsverband (E.E.S.V.)
-   bijkantoor van buitenlandse vennootschappen
-   Belgische vereniging zonder winstoogmerk (V.Z.W.)
-   bijkantoren van buitenlandse VZW
-   stichting
-   internationale VZW
-   de Europese Vennootschap (Societas Europaea, SE)

Let op: bovenvermelde vennootschappen opgericht "met sociaal oogmerk" kunnen geen bijkomende achtergestelde lening vanuit het Vlaams Innovatiefonds aanvragen. 

b)    Rechtspersonen “in oprichting”:

De aanvrager moet effectief over rechtspersoonlijkheid beschikken op het moment dat de subsidie-overeenkomst wordt ondertekend.  Bij indiening van het projectvoorstel is dit bijgevolg geen vereiste (start-ups, nieuwe spin-offs in “incubatiefase”, enz.)

c)    UITZONDERING: Onderzoeksinstellingen

 Volgende instellingen kunnen niet als aanvrager voor O&O-bedrijfssteun optreden:

-   Rechtspersonen die van overheidswege belast zijn met onderzoeksopdrachten
-  
Collectieve onderzoekcentra
-  
Instellingen die beroep doen op modaliteiten en steunregelingen gericht op onderzoeksinstellingen
-  
Rechtspersonen die rechtstreeks of onrechtstreeks van voornoemde instellingen afhangen
 

d)    BIJKOMENDE VOORWAARDEN:

Niet beschikken over een wettelijk monopolie

Bedrijven die op grond van een wettelijke bepaling beschikken over een absoluut monopolie binnen het grondgebied van het Vlaamse Gewest of binnen een wezenlijk deel daarvan, komen niet in aanmerking voor steun voor hun O&O-projecten, tenzij het project waarvoor zij steun aanvragen buiten het valorisatiegebied van dit monopolie valt.

Er is sprake van een monopolie wanneer er op de gegeven markt geen concurrentie is en/of er voor de producten en/of diensten die het betrokken bedrijf aanbiedt geen substitutiemogelijkheden of alternatieven voorhanden zijn

Deze uitzondering is gerechtvaardigd omwille van het feit dat deze bedrijven op grond van de wettelijke bepalingen in staat zijn hun onkosten voor O&O door te rekenen in hun tarieven, prijzen, overheidsdotaties of andere bronnen van inkomsten.

Niet beschikken over een machtspositie

Een onderneming heeft een machtspositie wanneer zij in staat is om de instandhouding van werkelijke concurrentie te verhinderen en wanneer zij daardoor de mogelijkheid heeft om zich t.o.v. concurrenten, afnemers of leveranciers in belangrijke mate onafhankelijk te gedragen.  Een onderneming beschikt over een machtspositie wanneer zij op de valorisatiemarkt waarop het O&O-project slaat een marktaandeel heeft van meer dan 50%.

In dergelijk geval zal de Raad van Bestuur oordelen of deze machtspositie binnen de valorisatiemarkt waarop het O&O-project slaat  en met name binnen het grondgebied van het Vlaamse Gewest of binnen een wezenlijk deel daarvan voldoende concurrentieverstorend kan zijn, zodat zij een voldoende reden vormt om steun te weigeren, naar analogie met een wettelijk monopolie, nog vóór de evaluatie van het betreffende project wordt aangevat.


Link naar de (AANBEVELING VAN DE COMMISSIE van 6 mei 2003 betreffende de definitie van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen)

Link naar een aantal voorbeelden

a) Basiscriteria

Eenk mo is een zelfstandig bedrijf met niet meer dan 250 werknemers én met een jaaromzet van minder dan € 50 miljoen óf een balanstotaal van minder dan € 43 miljoen.

Een kleine onderneming? (ko) is een zelfstandig bedrijf met niet meer dan 50 werknemers én met een jaaromzet van minder dan € 10 miljoen of een balanstotaal van minder dan € 10 miljoen.

Een onderneming die vaststelt dat zij op het laatst afgesloten boekjaar de criteria overschrijdt, verliest de hoedanigheid van kmo (of van ko) slechts wanneer deze situatie zich gedurende twee opeenvolgende boekjaren voordoet en vice versa.

b) Zelfstandigheid

In bepaalde gevallen moeten voor de berekening van deze criteria ook de gegevens van andere ondernemingen meegeteld worden (“consolidatie”).  Dit is het geval wanneer de onderneming geen zelfstandig bedrijf is.

Een bedrijf verliest zijn zelfstandigheid wanneer er een (of meer)“partneronderneming” of “verbonden onderneming” is (zijn).

c) Wat zijn partnerondernemingen?

Partnerondernemingen zijn ondernemingen waartussen een deelnemingsrelatie – direct of samen met een of meer verbonden vennootschappen – bestaat van 25% of meer van het kapitaal of de stemrechten.

Deze drempel van 25% geldt niet wanneer dat percentage in handen is van openbare participatiemaatschappijen, risicokapitaalmaatschappijen, personen die geregeld risicokapitaal beleggen of institutionele beleggers, met inbegrip van regionale ontwikkelingsfondsen, universiteiten of particuliere onderzoekscentra zonder winstoogmerk, op voorwaarde dat deze individueel noch gezamenlijk als “verbonden onderneming”, zoals hierna bedoeld, worden beschouwd.

Een participatie- of risicokapitaalmaatschappij is een onderneming die specifiek als doelstelling heeft het nemen van participaties en deelnemingen in andere ondernemingen en eventueel het al dan niet deelnemen aan het bestuur van die ondernemingen.

d) Wat zijn verbonden ondernemingen?

Een onderneming is met een andere onderneming verbonden wanneer:

a. zij over deze andere onderneming een controlebevoegdheid uitoefent

b. deze andere onderneming een controlebevoegdheid over haar uitoefent

c. zij met andere ondernemingen een consortium vormt

d. andere ondernemingen, bij weten van haar bestuursorgaan, onder de controle staan van de ondernemingen bedoeld in a), b) en c).

In afwijking van de Europese Aanbeveling worden universiteiten of particuliere onderzoekscentra zonder winstoogmerk niet als verbonden onderneming beschouwd t.o.v. de door hen opgerichte spin-offs, zelfs al bevinden zij zich in een hierboven onder a) tot d) bedoelde situatie.

e) Wat is controle?

Een onderneming heeft controle over een andere onderneming wanneer zij de juridische of feitelijke bevoegdheid heeft om een beslissende invloed uit te oefenen op de aanstelling van de meerderheid van bestuurders of zaakvoerders of op de oriëntatie van het beleid.

Er is altijd een beslissende invloed:

1° wanneer een onderneming de meerderheid van de stemrechten heeft

2° wanneer een vennoot het recht heeft de meerderheid van de bestuurders of zaakvoerders te benoemen of te ontslaan

3° wanneer een vennoot krachtens de statuten van de betrokken onderneming of krachtens met die onderneming gesloten overeenkomsten over de controlebevoegdheid beschikt

4° wanneer op grond van een overeenkomst met andere vennoten van de betrokken onderneming, een vennoot beschikt over de meerderheid van de stemrechten verbonden aan het totaal van de aandelen van die onderneming

5° in geval van gezamenlijke controle, d.w.z. controle uitgeoefend in overleg met anderen.

f) Wat is een consortium?

Er is een consortium wanneer verschillende ondernemingen, die geen dochtervennootschappen zijn van elkaar, noch dochtervennootschappen zijn van één en dezelfde onderneming, onder centrale leiding staan.

Een onderneming staat onder centrale leiding:

1° wanneer de centrale leiding van deze ondernemingen voortvloeit uit tussen deze ondernemingen gesloten overeenkomsten of uit statutaire bepalingen, of

2° wanneer hun bestuursorganen voor het merendeel bestaan uit dezelfde personen.

3° wanneer - behoudens tegenbewijs - de meerderheid van haar aandelen worden gehouden door dezelfde personen, zelfs als dit natuurlijke personen zijn.


Wanneer er onduidelijkheid is omtrent het al dan niet kmo? zijn van uw bedrijf bij de indiening van een steunaanvraag en indien het pas tijdens de verdere evaluatieprocedure zou blijken dat uw bedrijf toch niet aan de kmo definitie voldoet, zal het projectvoorstel toch verder behandeld worden volgens de evaluatieprocedure gangbaar binnen het kmo-programma?. Echter, het steunpercentage dat zal toegepast worden bij een eventuele positieve beslissing over uw projectvoorstel wordt met 10% verlaagd: dit betekent 40% steun bij een kmo-haalbaarheidsstudie en 25% steun bij een kmo-innovatieproject. Ook van de achtergestelde lening als bijkomende steunvorm bent u dan uitgesloten. Het moet tevens duidelijk zijn dat uw bedrijf zich achteraf niet nogmaals met een projectvoorstel kan aandienen bij het kmo-programma. Een bedrijf met meer dan 250 werknemers zal nooit binnen het kmo-programma behandeld worden.

Bezit u nog onvoldoende duidelijkheid omtrent het af te leggen traject om de innovatie te realiseren? Moet u nog fundamentele keuzes maken inzake in te zetten technologieën? Zijn er nog cruciale vragen te beantwoorden vooraleer u een onderbouwde beslissing kan nemen inzake het al dan niet opstarten van de ontwikkeling van het nieuwe (vernieuwende) product, proces of dienst? In dat geval voert u waarschijnlijk best eerst een kmo?-haalbaarheidsstudie uit, die u als resultaat de nodige antwoorden kan opleveren.

Hebt u daarentegen reeds een duidelijk beeld van de wijze waarop u de innovatie wenst te realiseren en/of wenst u reëel te starten met de ontwikkeling van het beoogde product, proces of dienst, dan opteert u best voor een kmo-innovatieproject. In dergelijk project wordt typisch het traject van eerste ontwerp tot een eerste beproefd concept of prototype gesteund.

Wanneer beslist wordt om een projectvoorstel te steunen, wordt het bedrag van de steun ‘vastgelegd’ (=gereserveerd) op de IWT-Vlaanderen begroting. Na deze beslissing is een verhoging niet meer mogelijk. Wanneer u dus na afloop van het project meer kosten blijkt gemaakt te hebben dan initieel vooropgesteld, zal de steun van het IWT hoe dan ook beperkt blijven tot dit ‘vastgelegde’ bedrag.

Daarentegen heeft het ook geen zin om uw budget groter in te schatten dan nodig is. De begroting die u voorstelt wordt op zijn geloofwaardigheid getoetst tijdens het evaluatieproces? en na afloop van de studie of project moeten effectief gemaakte kosten bewezen worden. Wanneer blijkt dat de bewezen kosten lager zijn dan de oorspronkelijk geraamde kosten, wordt de steun evenredig verminderd. U heeft er dus alle belang bij om de begroting bij indiening van de steunaanvraag zo correct mogelijk in te schatten.

Wanneer na de eindcontrole van een studie of project zou blijken dat de gemaakte kosten sterk verschillen met de oorspronkelijk aangevraagde begroting kan dit een bijkomend argument zijn voor het IWT-Vlaanderen om begrotingen van latere steunaanvragen van het bedrijf met bijzondere aandacht te evalueren.

Het IWT-Vlaanderen heeft enkel Nederlandstalige handleidingen beschikbaar voor het kmo-programma?. Zo nodig geacht is het wel toegestaan dat u uw steunaanvraag in het Engels opstelt.

Het IWT behandelt uw steunaanvraag vertrouwelijk. Het IWT-personeelsstatuut en de individuele arbeidsovereenkomsten van het IWT-personeel leggen de IWT-personeelsleden strikte geheimhouding op. Buiten de naam van uw onderneming, de projecttitel en het toegekende steunbedrag, die in het jaarlijks IWT-activiteitenverslag worden opgenomen, zal behoudens de leden van het college van deskundigen geen projectinformatie aan derden worden meegedeeld. Deze deskundigen ondertekenen voor elk individueel projectvoorstel dat zij behandelen een aparte confidentialiteitsovereenkomst.

De namen van de deskundigen voor uw project, worden u niet kenbaar gemaakt. Bij kmo?-innovatieprojecten wordt u wel in de mogelijkheid gesteld om zelf ook deel te nemen aan de vergadering van het college van deskundigen en uw voorstel toe te lichten. Het spreekt voor zich dat op het ogenblik van deze vergadering de deskundigen aan u zullen voorgesteld worden, maar niet eerder.

U kan ook altijd vooraf aan het IWT melden welke personen u zeker niet bij de beoordeling van uw projectaanvraag betrokken wenst te zien.

Het IWT kan onder bepaalde voorwaarden de uitbetaling van de steun opschorten en kan zelfs steun terugvorderen indien zou blijken dat de werkzaamheden binnen het project niet meer overeenstemmen met het afgesproken innovatiedoel of indien bedrog wordt vastgesteld. Nadere details hieromtrent vindt u terug in de Algemene Bepalingen bij kmo?-haalbaarheidsstudie of in de Algemene IWT-voorwaarden voor kmo-innovatieprojecten.

Jaarlijks beslist IWT hoe de projecten geselecteerd worden zodat de beschikbare budgetten het best worden aangewend.  Als de gevraagde steun hoger is dan de beschikbare middelen, moet tussen de aanvragen die in principe goedgekeurd werden, gekozen worden.  Om te voorkomen dat in de loop van het jaar de budgettaire middelen onvoldoende zouden blijken te zijn om aan de vraag te voldoen zodat zelfs de beste projecten niet zouden kunnen gesteund worden, wordt een selectiviteitsmechanisme ingesteld.

De volledige uitleg over de wijze waarop in het lopend werkjaar prioriteiten gesteld worden t.a.v. goedgekeurde steunaanvragen, namelijk de selectiviteit kan je in een toelichtingsdocument selectiemechanisme bij de subsidies in het documenten overzicht terugvinden (zie tab documenten).

Grensoverschrijdende samenwerking wordt sterk gestimuleerd. Ze kan plaatsvinden onder verschillende vormen :

  • Een bedrijf kan beroep doen op een onderzoeksinstelling of een bedrijf als onderaannemer? in het buitenland. Hierbij gelden dezelfde regels als voor de Vlaamse onderzoekspartners of onderaannemers. Let wel op dat een bedrijf dat een eigen valorisatierationale heeft (die bijvoorbeeld blijkt uit het opbouwen van eigen intellectuele eigendom of exploitatie van de resultaten) of zijn eigen risico draagt, niet als een onderaannemer zal beschouwd worden. De facturen die de bedrijfspartner krijgt voor de uitvoering van het project vormen binnen de regels van het kostenmodel een subsidieerbare kost.

    Wanneer het bedrijf buiten Vlaanderen met een Vlaamse bedrijfspartner verbonden is, moet dit bedrijf zijn kosten inbrengen op dezelfde manier als een Vlaams bedrijf en zijn er bijvoorbeeld geen winsttoeslagen e.d. aanvaardbaar.

    In elk geval is het zo dat maximaal 50% van de steun betrekking mag hebben op activiteiten buiten Vlaanderen.

  • Een bedrijf kan ook samenwerken met bedrijven buiten Vlaanderen in een gemeen­schappelijk, grensoverschrijdend project, elk voor eigen rekening. Dit kan in de eerste plaats gebeuren binnen formele regelingen zoals EUREKA, ERA-netten en andere internationale instrumenten. Indien daar niet de juiste mogelijkheden worden geboden, kan naar een ad hoc oplossing gezocht worden. Het staat een bedrijf dus vrij om een dergelijke samenwerking uit te voeren, maar de kosten van dergelijke buitenlandse partijen zullen natuurlijk niet voor subsidie in aanmerking komen. De niet-Vlaamse bedrijven moeten ofwel zelf voor hun eigen kosten instaan of steun krijgen van hun overheid. Bovendien moeten de exploitatierechten van de Vlaamse bedrijven gewaarborgd blijven.

De onderneming moet over rechtspersoonlijkheid beschikken, en dient een economische activiteit in het Vlaamse Gewest uit te oefenen op de vrije markt. Sommige ondernemingen die, hetzij als overheidsbedrijf, hetzij als monopolist, niet in een competitieve markt moeten opereren, kunnen enkel in aanmerking komen als ze diensten of producten willen ontwikkelen die niet onder het monopolie (zullen) vallen, en niet elders via de overheid gesubsidieerd worden.

Voor een uitgebreide toelichting, zie: Veel gestelde vragen rond de O&O-bedrijfsprojecten.

Baekeland-mandaten voorzien financiering van werknemers van een bedrijf of van een universiteit/onderzoeksorganisatie. De subsidie die toegekend wordt voor een Baekeland-mandaat wordt gedefinieerd als een percentage van de werkelijk uitgevoerde kosten, en voorziet vergoeding voor personeelkosten en werkingskosten. Indien een vennootschap geen verifieerbare personeelskosten? kan voorleggen, kan hierop geen subsidie toegekend worden in het kader van een Baekeland-mandaat. Een opportuniteitskost kan dus niet aanvaard worden.

Een persoon kan ook via een (management)vennootschap een vergoeding ontvangen onder het statuut van zelfstandige. De effectieve kosten van dergelijke vergoeding komen eveneens voor subsidiëring in aanmerking op voorwaarde dat deze kosten verifieerbaar zijn.

Een intentieverklaring is een engagementsverklaring waarin de verschillende partijen verklaren dat ze wensen samen te werken in het kader van het projectvoorstel. Een intentieverklaring is dus eigenlijk niets meer of niets minder dan een verklaring zonder IP-regelingen, waarin de partijen zich akkoord verklaren met de indiening van de IWT-aanvraag. Deze wordt ondertekend door de projectuitvoerders, namelijk de kandidaat-mandataris, de wetenschappelijke en de industriële promotoren.

Een samenwerkingsovereenkomst daarentegen omvat alle afspraken rond IP-regeling, afspraken rond plaats van tewerkstelling, begroting, betalingsmodaliteiten, enz. Deze samenwerkingsovereenkomst dient ondertekend te worden door de gemachtigden van de kennisinstelling(en) en van het bedrijf.

Wanneer moeten deze documenten ingediend worden?

  • De intentieverklaring moet in ieder geval, ondertekend door de projectuitvoerders, samen met de projectaanvraag ingediend worden tegen de uiterste indieningsdatum.
  • Voor de evaluatie van een projectaanvraag is het belangrijk dat de intenties rond gebruik en transfer van resultaten (o.m. IP-afspraken) ook gekend zijn. Daarom vragen we bij indiening reeds de krijtlijnen van deze afspraken, hetzij als bijlage bij de intentieverklaring, hetzij in een samenwerkingsovereenkomst. Deze documenten moeten ondertekend worden door de gemachtigden van de kennisinstellingen en van het bedrijf, en mogen uitzonderlijk ingediend worden tot 5 werkdagen voorafgaand aan het mondeling expertencollege.
  • Voor positief besliste aanvragen moet de definitieve samenwerkingsovereenkomst binnen de 4 maanden na beslissing in het bezit van IWT zijn. Na ontvangst en goedkeuring van deze samenwerkingsovereenkomst wordt de IWT-overeenkomst opgemaakt.


Hoe de kosten verdeeld worden, dient afgesproken te worden tussen de partners. Maar u dient er wel rekening mee te houden dat door de kennisinstellingen op het totaalbedrag van hun deel van de kosten (het deelbudget van de kennispartner) overhead afgenomen wordt. De som van alle indirecte kostenposten voor alle partners samen dient beperkt te worden tot 20% van de totale begroting.

De financiering van de niet gedekte projectkosten (20%) dient te gebeuren door het samenwerkingsverband (VIS?) via eigen inkomsten (tarificaties, ledenbijdragen, inkomsten uit contractonderzoek, eigen middelen) of door aan de leden van de gebruikerscommissie een individuele bijdrage te vragen, volgens zelf te bepalen modaliteiten. Deze bijdragen kunnen verschillend zijn voor de leden van de gebruikerscommissie. Verder mogen ook niet-Vlaamse bedrijven en overheidsbedrijven deel uitmaken van de gebruikerscommissie. Ook de inbreng van kosten ‘in natura’ door de leden van de gebruikerscommissie (stalen, materialen, grondstoffen, testmateriaal, etc.) is mogelijk indien deze kosten aantoonbaar en substantieel zijn.

Wanneer voor de uitvoering van een project samengewerkt wordt tussen twee (of meer) aanvragende VIS-organisaties (een federatie, een collectief centrum, een competentiepool,…) kan afgesproken worden hoe de financiering van het project onderling geregeld wordt.

Bij samenwerking tussen een VIS en een onderzoeksinstelling zonder winstoogmerk zoals een universiteit, hogeschool of strategisch onderzoekscentrum (SOC), dient het aanvragend VIS de volledige financiering van het uitvoerend kenniscentrum voor haar rekening te nemen.

Er kan op verschillende manieren met buitenlandse organisaties samengewerkt worden:

  • Niet-Vlaamse bedrijven kunnen lid zijn van de gebruikerscommissie en kunnen financieel bijdragen in een deel van de niet-gesubsidieerde kost.
  • Niet-gefinancierde buitenlandse onderzoekscentra kunnen als uitvoerder bij een collectief project betrokken worden. Dezelfde regels die gelden voor Vlaamse kenniscentra zijn van toepassing.
  • Samenwerkingen met buitenlandse (gefinancierde) kennis/onderzoekscentra kunnen ook uitgevoerd worden in het kader van een ERA-CORNET?-project. Binnen CORNET, een ERA-NET? dat zich situeert op het vlak van de bevordering van internationale netwerking en samenwerking rond collectief onderzoek, worden regelmatig oproepen voor transnationale collectieve onderzoeksprojectvoorstellen gelanceerd. Om deel te nemen aan dergelijke oproepen zijn minstens drie partners vanuit drie verschillende deelnemende landen en/of regio’s vereist. Meer informatie is terug te vinden op de website www.cornet-era.net.

 
Hiernavolgende tekst is bedoeld ter verdere uitklaring van de IPR-aspecten zowel in individuele projecten van collectief onderzoek, meer bepaald in samenwerkingsprojecten tussen een VIS? en een onderzoeksinstelling die onder het VIS-Besluit vallen, als in VIS-trajecten die een of meerdere projecten van collectief onderzoek kunnen omvatten. Verder dient ook verwezen te worden naar het toelichtingsdocument ‘gebruik van resultaten van IWT gesteunde projecten’, dat nog meer achtergrondinfo bevat en de algemene voorwaarden van IWT onder meer voor wat betreft definities.

Alvorens in te gaan op de IPR-aspecten is het nuttig om de context en de rationale van projecten van VIS collectief onderzoek onder de aandacht te brengen. ‘Collectief onderzoek’, dat zijn onderzoek en studies, gericht op het verwerven, bundelen en vertalen van kennis naar bruikbare innovatietoepassingen ten behoeve van een ruime collectiviteit van bedrijven. Het gaat hier meestal om vrij generieke kennis, die moeilijk te verwerven is voor een individueel bedrijf, maar waarvoor het onderzoek door de aanvragers, zijnde een samenwerkingsverband van bedrijven, wordt uitbesteed naar een onderzoekscentrum met de nodige expertise. Deze kennis kan een individueel bedrijf dan nadien in een eigen traject valoriseren. Als zodanig sluiten deze projecten dan ook uit dat expliciet gestreefd zou worden naar uitsluitingsrechten, i.e. intellectuele eigendomsrechten.

Projecten collectief onderzoek worden 80% gesubsidieerd door de overheid, en 20% door het Vlaams Innovatiesamenwerkingsverband dat zich hiervoor tot de doelgroepbedrijven wendt. Het indienende samenwerkingsverband van bedrijven beschikt over de nodige rechten om het in staat te stellen te voldoen aan vanuit de overheid opgelegde plicht om de kennis ruim te verspreiden (wat het hoge subsidie % verantwoordt).

De onderstaande toelichting betreft samenwerkingsprojecten van VIS-CO waarin een VIS en een onderzoekscentrum betrokken zijn.

  • De VIS beschikt over de projectresultaten om deze vervolgens te verspreiden naar een zo ruim mogelijke groep van (doelgroep)bedrijven of om als achtergrondkennis te gebruiken. Indien het samenwerkingsverband (VIS) toch intellectuele eigendomsrechten opbouwt obv het collectief onderzoek, dient het, overeenkomstig het VIS-besluit, eventuele licenties te verlenen aan gelijke (toegankelijke) voorwaarden.
  • De opgedane kennis tijdens een CO-project kan door de uitvoerende onderzoeksinstelling verder gebruikt worden als achtergrondkennis.

    Wanneer de onderzoeksinstelling de kennis zelf wenst te valoriseren, dient zij dit te doen in overleg met het VIS, en met uitdrukkelijke toestemming van het VIS, dit onder andere om onnodige ontdubbeling en/of inadequate concurrentie te vermijden. Het VIS zal de opstart van een eigen valorisatietraject door de onderzoeksinstelling niet weigeren op onredelijke grond en zal zo’n vraag enkel weigeren op grond van een onderbouwd mogelijk conflict met het toepassingsdomein en de valorisatieopdracht van het VIS. Ten einde discussies over de afbakening van het toepassingsdomein te vermijden is het opportuun dat hier goede afspraken gemaakt worden bij de voorbereiding van de projectaanvraag. De onderzoeksinstelling moet er in elk geval over waken dat de valorisatieplannen van de VIS gevrijwaard blijven. Zij dient haar valorisatie-activiteit ook uit te voeren met toepassing van de principes van het VIS-Besluit.

    Indien de mogelijkheid zich voordoet voor een valorisatie aan niet collectieve voorwaarden kan dit aanvaard worden mits ad hoc akkoord door het IWT zoals vermeld in het toelichtingsdocument - Gebruik van resultaten van IWT-gesteunde projecten.

Hieronder vindt u een voorlopige oplijsting van steunmaatregelen die onder de de-minimisregel vallen :

IWT

  • Steun in het kader van het VIS?-besluit (projecten/programma’s)
  • Achtergestelde leningen (zie : Vlaams Innovatiefonds/VINNOF)


Vlaams Innovatiefonds (VINNOF)


Achtergestelde leningen toegekend in het kader van IWT-projecten en/of –studies, maar slechts in de mate deze gepaard gaan met een verlaagde rentevoet , d.i. de Europese referentie-interestvoet (beschikbaar op: http://ec.europa.eu/comm/competition/state_aid/legislation/reference_rates.html).


Agentschap? Ondernemen

  • BEA, vanaf 1/1/2009 : de KMO? - portefeuille
  • Rentetoelage voor Hinder Openbare Werken
    (nog bijna door niemand aangevraagd – ook kleine bedragen)


FIT : exportsubsidies

  • prospectiereizen
  • deelname aan beurzen met een internationale uitstraling
  • de aankoop van een lastenboek voor internationale aanbestedingen
  • de oprichting van een prospectiekantoor
  • interne technische opleiding ter uitvoering van een afgesloten contract
  • prospectiereizen naar multilaterale instellingen voor projecten buiten EER
  • de aanmaak van productdocumentatie en technische vertalingen
  • kosten voor registratie, homologatie en certificatie
  • de uitnodiging naar Vlaanderen van aankopers en decision makers
  • de huur van een ruimte voor de organisatie van publieke presentaties, workshops, ...
  • de intrek in een door FIT geaccrediteerd dienstencentrum


PMV

De Waarborgregeling zou vanaf 2008 gebaseerd worden op de de-minimisverordening, maar het wijzigen van het decreet is nog niet volledig rond. Die maatregel zal wel een groot deel van het de minimis budget gebruiken.
Er geldt immers een subsidie-equivalent van 13%.vb. Als het gewaarborgde gedeelte van de lening 1.500.000 bedraagt is het subsidie-equivalent 200.000 steun en is de drempel bereikt. Dat is lineair, dus een lening van 500.000 euro, geeft 66.666 euro steun, een van 1.000.000 geeft 133.333 euro steun,...

Federaal zijn er ook de achtergestelde leningen van het Participatiefonds, die onder de de-minimis vallen.

 

DTO-toeslag kan toegekend worden indien het project aan de gestelde voorwaarden voldoet, zelfs al is dit niet de voornaamste motivatie van het project.

Indien het project een substantiële verbetering kan opleveren op één van de ecologische doelstellingen is dat voldoende. Het is niet nodig om op alle of de meeste doelstellingen te scoren. Eventuele negatieve milieu-effecten moeten wel afgewogen worden t.o.v. de milieuvoordelen.

De lijst met publieke ecopunten is inderdaad beperkt. U kan proberen om ecopunten te zoeken voor gelijkaardige producten en daarmee een berekening te maken. Maak dan wel duidelijk welk product de referentie is of meldt de bron van uw cijfermateriaal.

Inderdaad, maar die zijn minder makkelijk af te leiden of zijn niet publiek beschikbaar. Volgende berekende ecopunten, die niet in de bijlage te vinden zijn, werden al door IWT-Vlaanderen aanvaard:
Water: 0.05 millipunten (mPtn) per liter drinkwater (referentie berekening door de VITO);
Diesel voor verwarming, landbouwmachines, statische motoren: Uitgaande van 5,6 mPtn per MJ energy (productie+ verbranding brandstof), een energie-inhoud van 42 MJ/kg en een densiteit van 0,85 kg/l, komen we op 200 mPtn per liter brandstof.

In principe wel. Alhoewel de resultaten in dat geval nog onzeker zijn, kan toch een zo realistisch mogelijke inschatting gemaakt worden van de ecologische voordelen. Eventueel kan er een onzekerheidsinterval aangegeven worden of kan melding gemaakt worden van een optimistisch, een realistisch en een pessimistisch scenario. De realiteitswaarde van de vooropgestelde cijfers vormt een basis voor evaluatie.

Ja dat kan bij KMO?-innovatieprojecten en O&O-bedrijfsprojecten. In een KMO-innovatiestudie leidt de goedkeuring van DTO-studie-activiteiten, automatisch tot het toekennen van een DTO-toeslag.
 

Het wereldwijde valorisatiepotentieel en de bijhorende milieuvoordelen worden in aanmerking genomen.

In principe wel, voor zover de milieuvoordelen via een door het IWT aanvaardbare methode gekwantificeerd kunnen worden.

Een functionele eenheid laat toe om twee technologieën of producten met elkaar te vergelijken qua milieu-impact. Er wordt in de eerste plaats gekeken naar de functie van de technologie bv. de verwarming van 1 m3 bouwvolume, de zuivering van 1 m3 water, de productie van 1 ton chocolade of papierpulp, de verpakking van 1000 l melk, etc. Verschillende technologieën kunnen dezelfde functie op een meer of minder milieu-efficiënte manier invullen. De aanvrager is het best geplaatst om een zinvolle functionele eenheid te definiëren

BBT staat voor Best Beschikbare Technieken en wordt in het Engels ook als BAT(NEEC) aangeduid of Best Available Techniques Not Entailing Excessive Costs. Het zijn technische en organisatorische hulpmiddelen die het meest doeltreffend mens en milieu beschermen, vanuit een integrale benadering (dus voor elk onderdeel van het milieu). De technieken zijn reeds in de praktijk toegepast en worden op de markt aangeboden. De kosten zijn redelijk t.o.v. het resultaat en haalbaar voor de bedrijven in de betrokken bedrijfstak. Voor één specifiek probleem zijn meerdere “beste” technieken mogelijk. De term wordt ook gebruikt in het kader van de milieuregulering (milieuvergunningen). Voor verdere info en BBT-studies wordt verwezen naar http://www.emis.vito.be/

BREFs zijn Europese BBT-studies. De Europese Richtlijn 96/61/EG van 24 september 1996 inzake Geïntegreerde Preventie en Bestrijding van Verontreiniging (de IPPC- of GPBV-richtlijn) vraagt dat alle annex-1 bedrijven (GPBV-bedrijven volgens Vlarem I) ten laatste in 2007 werken volgens vergunningsvoorwaarden gebaseerd op BBT. Om de lidstaten hierbij te helpen organiseert de Europese Commissie een uitwisseling van gegevens op gebied van BBT. Concreet worden door het IPPC-bureau in Sevilla (Spanje) zogenaamde BREFs of BBT-referentiedocumenten opgesteld met hulp van de lidstaten en de betrokken industrie. Deze BREFs zijn te raadplegen via het internet (meer info: http://www.emis.vito.be en http://eippcb.jrc.es) en kunnen ook in boekvorm besteld worden.

Inderdaad, duurzame ontwikkeling is een breed begrip dat niet verengd mag worden tot een louter ecologische dimensie, ook economische en sociale voordelen worden onder deze noemer geplaatst, evenals ethische overwegingen m.b.t. de billijke verdeling van welzijn en welvaart, zowel tussen generaties als binnen éénzelfde generatie (Noord-Zuid problematiek). In onze context wordt de definitie beperkt tot de ecologische maatschappelijke voordelen, conform de beslissing van de Vlaamse Regering.

Hulpbronnen zijn natuurlijke voorraden (reservoirs) waaruit geput kan worden met het oog op benuttiging voor producten of processen. Fossiele brandstoffen, nucleaire en minerale grondstoffen worden tot de niet-hernieuwbare hulpbronnen gerekend, gezien de eindigheid van de voorraden. Biologische reservoirs zoals bijv. bossen, landbouwgrond, oppervlakte- regen- en grondwater worden tot de hernieuwbare of regenereerbare grondstoffen gerekend, tenzij er overexploitatie optreedt. Tot de hernieuwbare energiebronnen rekent men o.m. zonne- en windenergie en waterkracht

Nee, maar het DTO-criterium krijgt een groter gewicht op de valorisatie-as, wat toch enig effect kan resorteren, gezien de veel hogere selectiviteit in deze programma’s. Voor verdere informatie wordt verwezen naar de meest recente oproepdocumenten van deze programma’s (onder meer beschikbaar op de IWT-website).

Dit komt inderdaad geregeld voor. In de praktijk is bij ecodesign studies reeds gebleken dat bijvoorbeeld een verbetering van de energetische efficiëntie van een warmtewisselaar met 1 % een belangrijker milieu-effect ressorteert dan eender welk gebruik van minder milieubelastende grondstoffen bij de productie van het apparaat

In dergelijke gevallen kunnen de milieu-effecten uitgesplitst worden per toepassingsmogelijkheid. In regel wordt er uitgegaan van het meest realistische valorisatieresultaat. Indien de milieu-effecten (eco-efficiëntieverbetering gecombineerd met een voldoende valorisatieperspectief) voor één toepassingsmogelijkheid voldoende groot zijn, kan het project DTO-steun krijgen.

Ja, zeker!

Door het stijgend aantal aanvragen en het brede scala aan domeinen die het IWT zijn steunmaatregelen bestrijkt (bvb. biotech, chemie, materiaalontwikkeling en basistechnologieën, micro-elektronica en ICT), zijn wij steeds op zoek naar nieuwe deskundigen.

U werkt als expert in uw domein in de industrie of aan de universiteit. We zoeken zowel vakmensen die hooggespecialiseerd zijn als ook vakmensen met een brede specialisatie en interessegebied. Academicus of practicus, in alle gevallen bent u welkom als externe deskundige voor de evaluatie van IWT-projecten.

Het IWT steunt zowel projecten in de industrie als uit de onderzoekswereld en zoekt steeds deskundigen uit beide werelden: zowel experten met een academische achtergrond als deskundigen met ervaring uit de industrie. Hierbij gaat het zowel om KMO?’s als grote bedrijven, hogescholen, universiteiten en onderzoekscentra.

Het spreekt voor zich dat de deskundigen geselecteerd worden in functie van de ingediende projecten. Naast uw persoonlijke expertise wordt ook rekening gehouden met confidentialiteit en mogelijke incompatibiliteiten.

Onze ervaring toont dat werkgevers in het algemeen zeer positief staan tegenover de bijkomende ervaring die u als specialist voor het IWT kunt opdoen.

Voor uw ‘baas’ is uw medewerking aan de missie van het IWT dikwijls ook een erkenning van uw expertise en van de kwaliteit van het bedrijf of de onderzoeksafdeling.

Werkgevers vinden het doorgaans zinvol dat hun personeelsleden zich ook maatschappelijk profileren ten voordele van een organisatie die haar eigen geloofwaardigheid niet hoeft te bewijzen. De networking met andere deskundigen uit uw vakgebied kunnen later ook uw werkgever ten goede komen.

Dit hangt af van de te beoordelen dossiers, en ook van uw eigen wensen.

Het IWT doet één tot hoogstens enkele keren per jaar op dezelfde deskundige beroep. De projecten die behandeld worden zijn zo specialistisch, dat we telkens andere experten aanspreken die in hun niche goede ‘credentials’ kunnen voorleggen.

Dit betekent een tijdsinzet van het lezen van een dossier welke u per post wordt toegestuurd, eventueel een vergadering – tijdens kantooruren, voor een maximum aantal vergaderingen per jaar, soms afgewisseld met een jaar helemaal niets, afhankelijk van het aantal projecten, of het schrijven van een expertise aan de hand van een evaluatieformulier (vb. evaluatierooster voor een O&O-bedrijfsproject)

De concrete tijdsinzet kan samen met onze wetenschappelijke adviseurs besproken worden.

Natuurlijk, een kleine expertenvergoeding is altijd voorzien.

Het tarief voor de expertise varieert naargelang het soort dossier, of er een mondeling college volgt of indien het enkel om een schriftelijke procedure gaat.

Gedetailleerde informatie over de vergoedingen ontvangt u naar inschrijving.

Uw kandidatuur wordt via de interne expertendatabank naar alle wetenschappelijke adviseurs van het IWT gecommuniceerd. Daarom is het aangewezen uw expertise zo goed mogelijk te omschrijven. Zodra wij u als extern deskundige voor een project in uw vakgebied kunnen inschakelen, neemt de wetenschappelijk adviseur die het dossier begeleidt contact met u op om concreet af te spreken of u als expert voor dit dossier wilt meewerken.

Door uw beslagenheid en ervaring in uw vakgebied, kan u die kennis ten dienste stellen van jurering ten behoeve van bedrijfsprojecten, specialisatiebeurzen of onderzoeksmandaten en op die manier de beschikbare middelen van de Vlaamse overheid? zo optimaal mogelijk spenderen. U beslist in feite mee over de steun en hebt dus ook invloed op het innovatielandschap in Vlaanderen.

Interesse, reageer dan meteen vrijblijvend via het webformulier.