Heeft u een vraag voor het IWT? Dan bekijkt u misschien best even deze lijst met vaak gestelde vragen.
Jaarlijks beslist IWT hoe de projecten geselecteerd worden zodat de beschikbare budgetten het best worden aangewend. Als de gevraagde steun hoger is dan de beschikbare middelen, moet tussen de aanvragen die in principe goedgekeurd werden, gekozen worden. Om te voorkomen dat in de loop van het jaar de budgettaire middelen onvoldoende zouden blijken te zijn om aan de vraag te voldoen zodat zelfs de beste projecten niet zouden kunnen gesteund worden, wordt een selectiviteitsmechanisme ingesteld.
De volledige uitleg over de wijze waarop in het lopend werkjaar prioriteiten gesteld worden t.a.v. goedgekeurde steunaanvragen, namelijk de selectiviteit kan je bij elk van de subsidies in het documenten overzicht terugvinden (zie tab documenten).
In het financieringsbesluit van de Vlaamse regering wordt een “bedrijf” niet nader gedefinieerd. In het verleden werd daarom bij twijfelgevallen op ad hoc basis beslist wie wel of wie niet formeel in aanmerking kwam om aanvragen in te dienen.
In de praktijk kwamen de vragen vooral van:
De voogdij-overheid heeft hierover het volgende beslist:
a) De onderneming moet over rechtspersoonlijkheid beschikken, en haar economische activiteit moet op duurzame wijze uitgeoefend worden door middel van een vestiging in het Vlaamse Gewest.
Ter verduidelijking volgt hier een opsomming van de meest courante vormen van rechtspersonen, die aan het ontvankelijkheidscriterium voldoen. In eerste instantie betreft het de volgende vennootschappen (met burgerlijk of handelsdoel):
- vennootschap onder firma (V.O.F.)
- gewone commanditaire vennootschap (Comm.V.)
- besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid (B.V.B.A.)
- coöperatieve vennootschap met beperkte aansprakelijkheid (C.V.B.A.)
- coöperatieve vennootschap met onbeperkte aansprakelijkheid (C.V.O.A.)
- naamloze vennootschap (N.V.)
- commanditaire vennootschap op aandelen (Comm.V.A.)
- economisch samenwerkingsverband (E.S.V.)
Elk van de voornoemde vennootschappen kan bovendien worden opgericht “met sociaal oogmerk”
- landbouwvennootschap (L.V.)
- Europees economisch samenwerkingsverband (E.E.S.V.)
- bijkantoor van buitenlandse vennootschappen
- Belgische vereniging zonder winstoogmerk (V.Z.W.)
- bijkantoren van buitenlandse VZW
- stichting
- internationale VZW
- de Europese Vennootschap (Societas Europaea, SE)
Let op: bovenvermelde vennootschappen opgericht "met sociaal oogmerk" kunnen geen bijkomende achtergestelde lening vanuit het Vlaams Innovatiefonds aanvragen.
b) Rechtspersonen “in oprichting”:
De aanvrager moet effectief over rechtspersoonlijkheid beschikken op het moment dat de subsidie-overeenkomst wordt ondertekend. Bij indiening van het projectvoorstel is dit bijgevolg geen vereiste (start-ups, nieuwe spin-offs in “incubatiefase”, enz.)
c) UITZONDERING: Onderzoeksinstellingen
Volgende instellingen kunnen niet als aanvrager voor O&O-bedrijfssteun optreden:
- Rechtspersonen die van overheidswege belast zijn met onderzoeksopdrachten
- Collectieve onderzoekcentra
- Instellingen die beroep doen op modaliteiten en steunregelingen gericht op onderzoeksinstellingen
- Rechtspersonen die rechtstreeks of onrechtstreeks van voornoemde instellingen afhangen
d) BIJKOMENDE VOORWAARDEN:
Niet beschikken over een wettelijk monopolie
Bedrijven die op grond van een wettelijke bepaling beschikken over een absoluut monopolie binnen het grondgebied van het Vlaamse Gewest of binnen een wezenlijk deel daarvan, komen niet in aanmerking voor steun voor hun O&O-projecten, tenzij het project waarvoor zij steun aanvragen buiten het valorisatiegebied van dit monopolie valt.
Er is sprake van een monopolie wanneer er op de gegeven markt geen concurrentie is en/of er voor de producten en/of diensten die het betrokken bedrijf aanbiedt geen substitutiemogelijkheden of alternatieven voorhanden zijn
Deze uitzondering is gerechtvaardigd omwille van het feit dat deze bedrijven op grond van de wettelijke bepalingen in staat zijn hun onkosten voor O&O door te rekenen in hun tarieven, prijzen, overheidsdotaties of andere bronnen van inkomsten.
Niet beschikken over een machtspositie
Een onderneming heeft een machtspositie wanneer zij in staat is om de instandhouding van werkelijke concurrentie te verhinderen en wanneer zij daardoor de mogelijkheid heeft om zich t.o.v. concurrenten, afnemers of leveranciers in belangrijke mate onafhankelijk te gedragen. Een onderneming beschikt over een machtspositie wanneer zij op de valorisatiemarkt waarop het O&O-project slaat een marktaandeel heeft van meer dan 50%.
In dergelijk geval zal de Raad van Bestuur oordelen of deze machtspositie binnen de valorisatiemarkt waarop het O&O-project slaat en met name binnen het grondgebied van het Vlaamse Gewest of binnen een wezenlijk deel daarvan voldoende concurrentieverstorend kan zijn, zodat zij een voldoende reden vormt om steun te weigeren, naar analogie met een wettelijk monopolie, nog vóór de evaluatie van het betreffende project wordt aangevat.
In deze voorbeelden wordt ingegaan op de valorisatie-aspecten en in het bijzonder de toegevoegde waarde. De inhoudelijke aspecten zijn even belangrijk, maar voor de eenvoud wordt er van uitgegaan dat alle voorbeelden hier op wetenschappelijk vlak goede projecten betreffen en dat de andere aspecten van valorisatie goed scoren. Deze voorbeelden hebben natuurlijk enkel een informatieve waarde en illustreren hoe IWT de valorisatie benadert. Aan deze voorbeelden kunnen geen rechten worden ontleend.
Het is zeker niet de bedoeling dat een aanvrager via cut and paste een scenario opstelt. Elk geval is anders en IWT wil juist de mogelijkheid laten om binnen de eigen bedrijfscontext valabele scenario’s op te bouwen.
Volgende voorbeelden worden louter gegeven als illustratie. Er kunnen op zich geen rechten aan ontleend worden. De interpretatie van het karakter van de activiteiten in een project is complex en afhankelijk van nuances. Op het eerste zicht sterke gelijkende projecten kunnen dus uiteindelijk een andere kwalificatie krijgen.
In het financieringsbesluit van de Vlaamse regering wordt een “bedrijf” niet nader gedefinieerd. In het verleden werd daarom bij twijfelgevallen op ad hoc basis beslist wie wel of wie niet formeel in aanmerking kwam om aanvragen in te dienen.
In de praktijk kwamen de vragen vooral van:
De voogdij-overheid heeft hierover het volgende beslist:
a) De onderneming moet over rechtspersoonlijkheid beschikken, en haar economische activiteit moet op duurzame wijze uitgeoefend worden door middel van een vestiging in het Vlaamse Gewest.
Ter verduidelijking volgt hier een opsomming van de meest courante vormen van rechtspersonen, die aan het ontvankelijkheidscriterium voldoen. In eerste instantie betreft het de volgende vennootschappen (met burgerlijk of handelsdoel):
- vennootschap onder firma (V.O.F.)
- gewone commanditaire vennootschap (Comm.V.)
- besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid (B.V.B.A.)
- coöperatieve vennootschap met beperkte aansprakelijkheid (C.V.B.A.)
- coöperatieve vennootschap met onbeperkte aansprakelijkheid (C.V.O.A.)
- naamloze vennootschap (N.V.)
- commanditaire vennootschap op aandelen (Comm.V.A.)
- economisch samenwerkingsverband (E.S.V.)
Elk van de voornoemde vennootschappen kan bovendien worden opgericht “met sociaal oogmerk”
- landbouwvennootschap (L.V.)
- Europees economisch samenwerkingsverband (E.E.S.V.)
- bijkantoor van buitenlandse vennootschappen
- Belgische vereniging zonder winstoogmerk (V.Z.W.)
- bijkantoren van buitenlandse VZW
- stichting
- internationale VZW
- de Europese Vennootschap (Societas Europaea, SE)
Let op: bovenvermelde vennootschappen opgericht "met sociaal oogmerk" kunnen geen bijkomende achtergestelde lening vanuit het Vlaams Innovatiefonds aanvragen.
b) Rechtspersonen “in oprichting”:
De aanvrager moet effectief over rechtspersoonlijkheid beschikken op het moment dat de subsidie-overeenkomst wordt ondertekend. Bij indiening van het projectvoorstel is dit bijgevolg geen vereiste (start-ups, nieuwe spin-offs in “incubatiefase”, enz.)
c) UITZONDERING: Onderzoeksinstellingen
Volgende instellingen kunnen niet als aanvrager voor O&O-bedrijfssteun optreden:
- Rechtspersonen die van overheidswege belast zijn met onderzoeksopdrachten
- Collectieve onderzoekcentra
- Instellingen die beroep doen op modaliteiten en steunregelingen gericht op onderzoeksinstellingen
- Rechtspersonen die rechtstreeks of onrechtstreeks van voornoemde instellingen afhangen
d) BIJKOMENDE VOORWAARDEN:
Niet beschikken over een wettelijk monopolie
Bedrijven die op grond van een wettelijke bepaling beschikken over een absoluut monopolie binnen het grondgebied van het Vlaamse Gewest of binnen een wezenlijk deel daarvan, komen niet in aanmerking voor steun voor hun O&O-projecten, tenzij het project waarvoor zij steun aanvragen buiten het valorisatiegebied van dit monopolie valt.
Er is sprake van een monopolie wanneer er op de gegeven markt geen concurrentie is en/of er voor de producten en/of diensten die het betrokken bedrijf aanbiedt geen substitutiemogelijkheden of alternatieven voorhanden zijn
Deze uitzondering is gerechtvaardigd omwille van het feit dat deze bedrijven op grond van de wettelijke bepalingen in staat zijn hun onkosten voor O&O door te rekenen in hun tarieven, prijzen, overheidsdotaties of andere bronnen van inkomsten.
Niet beschikken over een machtspositie
Een onderneming heeft een machtspositie wanneer zij in staat is om de instandhouding van werkelijke concurrentie te verhinderen en wanneer zij daardoor de mogelijkheid heeft om zich t.o.v. concurrenten, afnemers of leveranciers in belangrijke mate onafhankelijk te gedragen. Een onderneming beschikt over een machtspositie wanneer zij op de valorisatiemarkt waarop het O&O-project slaat een marktaandeel heeft van meer dan 50%.
In dergelijk geval zal de Raad van Bestuur oordelen of deze machtspositie binnen de valorisatiemarkt waarop het O&O-project slaat en met name binnen het grondgebied van het Vlaamse Gewest of binnen een wezenlijk deel daarvan voldoende concurrentieverstorend kan zijn, zodat zij een voldoende reden vormt om steun te weigeren, naar analogie met een wettelijk monopolie, nog vóór de evaluatie van het betreffende project wordt aangevat.
Link naar een aantal voorbeelden
a) Basiscriteria
Eenk mo is een zelfstandig bedrijf met niet meer dan 250 werknemers én met een jaaromzet van minder dan € 50 miljoen óf een balanstotaal van minder dan € 43 miljoen.
Een kleine onderneming? (ko) is een zelfstandig bedrijf met niet meer dan 50 werknemers én met een jaaromzet van minder dan € 10 miljoen of een balanstotaal van minder dan € 10 miljoen.
Een onderneming die vaststelt dat zij op het laatst afgesloten boekjaar de criteria overschrijdt, verliest de hoedanigheid van kmo (of van ko) slechts wanneer deze situatie zich gedurende twee opeenvolgende boekjaren voordoet en vice versa.
b) Zelfstandigheid
In bepaalde gevallen moeten voor de berekening van deze criteria ook de gegevens van andere ondernemingen meegeteld worden (“consolidatie”). Dit is het geval wanneer de onderneming geen zelfstandig bedrijf is.
Een bedrijf verliest zijn zelfstandigheid wanneer er een (of meer)“partneronderneming” of “verbonden onderneming” is (zijn).
c) Wat zijn partnerondernemingen?
Partnerondernemingen zijn ondernemingen waartussen een deelnemingsrelatie – direct of samen met een of meer verbonden vennootschappen – bestaat van 25% of meer van het kapitaal of de stemrechten.
Deze drempel van 25% geldt niet wanneer dat percentage in handen is van openbare participatiemaatschappijen, risicokapitaalmaatschappijen, personen die geregeld risicokapitaal beleggen of institutionele beleggers, met inbegrip van regionale ontwikkelingsfondsen, universiteiten of particuliere onderzoekscentra zonder winstoogmerk, op voorwaarde dat deze individueel noch gezamenlijk als “verbonden onderneming”, zoals hierna bedoeld, worden beschouwd.
Een participatie- of risicokapitaalmaatschappij is een onderneming die specifiek als doelstelling heeft het nemen van participaties en deelnemingen in andere ondernemingen en eventueel het al dan niet deelnemen aan het bestuur van die ondernemingen.
d) Wat zijn verbonden ondernemingen?
Een onderneming is met een andere onderneming verbonden wanneer:
a. zij over deze andere onderneming een controlebevoegdheid uitoefent
b. deze andere onderneming een controlebevoegdheid over haar uitoefent
c. zij met andere ondernemingen een consortium vormt
d. andere ondernemingen, bij weten van haar bestuursorgaan, onder de controle staan van de ondernemingen bedoeld in a), b) en c).
In afwijking van de Europese Aanbeveling worden universiteiten of particuliere onderzoekscentra zonder winstoogmerk niet als verbonden onderneming beschouwd t.o.v. de door hen opgerichte spin-offs, zelfs al bevinden zij zich in een hierboven onder a) tot d) bedoelde situatie.
e) Wat is controle?
Een onderneming heeft controle over een andere onderneming wanneer zij de juridische of feitelijke bevoegdheid heeft om een beslissende invloed uit te oefenen op de aanstelling van de meerderheid van bestuurders of zaakvoerders of op de oriëntatie van het beleid.
Er is altijd een beslissende invloed:
1° wanneer een onderneming de meerderheid van de stemrechten heeft
2° wanneer een vennoot het recht heeft de meerderheid van de bestuurders of zaakvoerders te benoemen of te ontslaan
3° wanneer een vennoot krachtens de statuten van de betrokken onderneming of krachtens met die onderneming gesloten overeenkomsten over de controlebevoegdheid beschikt
4° wanneer op grond van een overeenkomst met andere vennoten van de betrokken onderneming, een vennoot beschikt over de meerderheid van de stemrechten verbonden aan het totaal van de aandelen van die onderneming
5° in geval van gezamenlijke controle, d.w.z. controle uitgeoefend in overleg met anderen.
f) Wat is een consortium?
Er is een “consortium” wanneer verschillende ondernemingen, die geen dochtervennootschappen zijn van elkaar, noch dochtervennootschappen zijn van één en dezelfde onderneming, onder centrale leiding staan.
Een onderneming staat onder “centrale leiding”:
1° wanneer de centrale leiding van deze ondernemingen voortvloeit uit tussen deze ondernemingen gesloten overeenkomsten of uit statutaire bepalingen, of
2° wanneer hun bestuursorganen voor het merendeel bestaan uit dezelfde personen.
3° wanneer - behoudens tegenbewijs - de meerderheid van haar aandelen worden gehouden door dezelfde personen, zelfs als dit natuurlijke personen zijn.
Jaarlijks beslist IWT hoe de projecten geselecteerd worden zodat de beschikbare budgetten het best worden aangewend. Als de gevraagde steun hoger is dan de beschikbare middelen, moet tussen de aanvragen die in principe goedgekeurd werden, gekozen worden. Om te voorkomen dat in de loop van het jaar de budgettaire middelen onvoldoende zouden blijken te zijn om aan de vraag te voldoen zodat zelfs de beste projecten niet zouden kunnen gesteund worden, wordt een selectiviteitsmechanisme ingesteld.
De volledige uitleg over de wijze waarop in het lopend werkjaar prioriteiten gesteld worden t.a.v. goedgekeurde steunaanvragen, namelijk de selectiviteit kan je in een toelichtingsdocument selectiemechanisme bij de subsidies in het documenten overzicht terugvinden (zie tab documenten).
Er kan op verschillende manieren met buitenlandse organisaties samengewerkt worden:
Hieronder vindt u een voorlopige oplijsting van steunmaatregelen die onder de de-minimisregel vallen :
IWT
Vlaams Innovatiefonds (VINNOF)
Achtergestelde leningen toegekend in het kader van IWT-projecten en/of –studies, maar slechts in de mate deze gepaard gaan met een verlaagde rentevoet , d.i. de Europese referentie-interestvoet (beschikbaar op: http://ec.europa.eu/comm/competition/state_aid/legislation/reference_rates.html).
Agentschap? Ondernemen
FIT : exportsubsidies
PMV
De Waarborgregeling zou vanaf 2008 gebaseerd worden op de de-minimisverordening, maar het wijzigen van het decreet is nog niet volledig rond. Die maatregel zal wel een groot deel van het de minimis budget gebruiken.
Er geldt immers een subsidie-equivalent van 13%.vb. Als het gewaarborgde gedeelte van de lening 1.500.000 bedraagt is het subsidie-equivalent 200.000 steun en is de drempel bereikt. Dat is lineair, dus een lening van 500.000 euro, geeft 66.666 euro steun, een van 1.000.000 geeft 133.333 euro steun,...
Federaal zijn er ook de achtergestelde leningen van het Participatiefonds, die onder de de-minimis vallen.
