Frequently Asked Questions - Veel gestelde vragen rond de O&O-bedrijfsprojecten

IWT-subsidies zijn in principe vrijgesteld van vennootschapsbelasting. De juridische basis hiervoor wordt gevormd door de de Wet van 25 april 2007 houdende diverse bepalingen IV (B.S. 8 mei 2007 zie bijlage). Deze vrijstelling is van toepassing op premies en subsidies die werden betekend vanaf 1 januari 2007 en voorzover de datum van betekening ten vroegste behoort tot het belastbaar tijdperk dat aan het aanslagjaar 2008 verbonden is.
In verband met boekhoudkundige en fiscale verwerking van subsidies (onder andere voor onderzoek en ontwikkeling) kan het volgende gesteld worden :

  • I. BOEKHOUDKUNDIG :

    Samenvattend kunnen we stellen dat de boekhoudkundige verwerking van de subsidies afhangt van de manier waarop de activa en/of de kosten waarvoor de subsidies gegeven worden, worden geboekt.
    • A. de subsidies hebben betrekking op investeringen (te activeren uitgaven).

      De subsidies worden onder de post “15” op het passief opgenomen voor het totaal verworven bedrag in het jaar van verwerving. Daarna worden de subsidies op periodieke basis via de post “753” als financiële opbrengst in de resultaten getoond volgens hetzelfde ritme als de afschrijvingen op de activa waarvoor de subsidies werden toegekend.

      De Commissie voor Boekhoudkundige Normen heeft deze methodiek uitdrukkelijk gedocumenteerd en uiteengezet in haar advies 125/8.
    • B. de subsidies hebben betrekking op in de kosten te nemen uitgaven.

      Indien de uitgaven waarvoor de subsidies werden toegekend, betrekking hebben op interesten (te boeken onder code “65”), dienen de daarop toegekende subsidies opgenomen worden als rentesubsidies via de post “753” in hetzelfde boekjaar als de interesten geboekt worden.

      Indien de uitgaven waarvoor de subsidies werden toegekend, betrekking hebben op algemene kosten (te boeken onder code “60” tem “64”), dienen de daarop toegekende subsidies opgenomen worden als bedrijfssubsidies via de post “74” in hetzelfde boekjaar als de algemene kosten geboekt worden.
  • II. FISCAAL

    Vanuit een fiscaal standpunt zullen de subsidies die door de gewesten worden toegekend afzonderlijk worden opgenomen in tabel I A belastbare gereserveerde winst onder punt “j) aanpassingen in meer van de begintoestand van de reserves” voor het totale bedrag aan subsidies die zijn geboekt onder de posten “753” of “74”. Op die manier zullen de kapitaalsubsidies die boekhoudkundig in de opbrengsten zijn genomen, in dat jaar fiscaal uit de belastbare basis genomen worden.

Jaarlijks beslist IWT hoe de projecten geselecteerd worden zodat de beschikbare budgetten het best worden aangewend.  Als de gevraagde steun hoger is dan de beschikbare middelen, moet tussen de aanvragen die in principe goedgekeurd werden, gekozen worden.  Om te voorkomen dat in de loop van het jaar de budgettaire middelen onvoldoende zouden blijken te zijn om aan de vraag te voldoen zodat zelfs de beste projecten niet zouden kunnen gesteund worden, wordt een selectiviteitsmechanisme ingesteld.

De volledige uitleg over de wijze waarop in het lopend werkjaar prioriteiten gesteld worden t.a.v. goedgekeurde steunaanvragen, namelijk de selectiviteit kan je bij elk van de subsidies in het documenten overzicht terugvinden (zie tab documenten).

In het financieringsbesluit van de Vlaamse regering wordt een “bedrijf” niet nader gedefinieerd.  In het verleden werd daarom bij twijfelgevallen op ad hoc basis beslist wie wel of wie niet formeel in aanmerking kwam om aanvragen in te dienen.

 In de praktijk kwamen de vragen vooral van:

  • zelfstandigen die een “bedrijf” hebben zonder rechtspersoonlijkheid
  • vzw's
  • bijkantoren van buitenlandse vennootschappen
  • intercommunales
  • overheidsbedrijven
  • onderzoeksinstellingen
  • bedrijven met een (quasi-)monopolie of met een “machtspositie” op de valorisatiemarkt

De voogdij-overheid heeft hierover het volgende beslist:

a)    De onderneming moet over rechtspersoonlijkheid beschikken, en haar economische activiteit moet op duurzame wijze uitgeoefend worden door middel van een vestiging in het Vlaamse Gewest.

Ter verduidelijking volgt hier een opsomming van de meest courante vormen van rechtspersonen, die aan het ontvankelijkheidscriterium voldoen.  In eerste instantie betreft het de volgende vennootschappen (met burgerlijk of handelsdoel):

-    vennootschap onder firma (V.O.F.)
-    gewone commanditaire vennootschap (Comm.V.)
-    besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid (B.V.B.A.)
-    coöperatieve vennootschap met beperkte aansprakelijkheid (C.V.B.A.)
-    coöperatieve vennootschap met onbeperkte aansprakelijkheid (C.V.O.A.)

-    naamloze vennootschap (N.V.)
-    commanditaire vennootschap op aandelen (Comm.V.A.)
-    economisch samenwerkingsverband (E.S.V.)

Elk van de voornoemde vennootschappen kan bovendien worden opgericht “met sociaal oogmerk” 

-   landbouwvennootschap (L.V.)
-   Europees economisch samenwerkingsverband (E.E.S.V.)
-   bijkantoor van buitenlandse vennootschappen
-   Belgische vereniging zonder winstoogmerk (V.Z.W.)
-   bijkantoren van buitenlandse VZW
-   stichting
-   internationale VZW
-   de Europese Vennootschap (Societas Europaea, SE)

Let op: bovenvermelde vennootschappen opgericht "met sociaal oogmerk" kunnen geen bijkomende achtergestelde lening vanuit het Vlaams Innovatiefonds aanvragen. 

b)    Rechtspersonen “in oprichting”:

De aanvrager moet effectief over rechtspersoonlijkheid beschikken op het moment dat de subsidie-overeenkomst wordt ondertekend.  Bij indiening van het projectvoorstel is dit bijgevolg geen vereiste (start-ups, nieuwe spin-offs in “incubatiefase”, enz.)

c)    UITZONDERING: Onderzoeksinstellingen

 Volgende instellingen kunnen niet als aanvrager voor O&O-bedrijfssteun optreden:

-   Rechtspersonen die van overheidswege belast zijn met onderzoeksopdrachten
-  
Collectieve onderzoekcentra
-  
Instellingen die beroep doen op modaliteiten en steunregelingen gericht op onderzoeksinstellingen
-  
Rechtspersonen die rechtstreeks of onrechtstreeks van voornoemde instellingen afhangen
 

d)    BIJKOMENDE VOORWAARDEN:

Niet beschikken over een wettelijk monopolie

Bedrijven die op grond van een wettelijke bepaling beschikken over een absoluut monopolie binnen het grondgebied van het Vlaamse Gewest of binnen een wezenlijk deel daarvan, komen niet in aanmerking voor steun voor hun O&O-projecten, tenzij het project waarvoor zij steun aanvragen buiten het valorisatiegebied van dit monopolie valt.

Er is sprake van een monopolie wanneer er op de gegeven markt geen concurrentie is en/of er voor de producten en/of diensten die het betrokken bedrijf aanbiedt geen substitutiemogelijkheden of alternatieven voorhanden zijn

Deze uitzondering is gerechtvaardigd omwille van het feit dat deze bedrijven op grond van de wettelijke bepalingen in staat zijn hun onkosten voor O&O door te rekenen in hun tarieven, prijzen, overheidsdotaties of andere bronnen van inkomsten.

Niet beschikken over een machtspositie

Een onderneming heeft een machtspositie wanneer zij in staat is om de instandhouding van werkelijke concurrentie te verhinderen en wanneer zij daardoor de mogelijkheid heeft om zich t.o.v. concurrenten, afnemers of leveranciers in belangrijke mate onafhankelijk te gedragen.  Een onderneming beschikt over een machtspositie wanneer zij op de valorisatiemarkt waarop het O&O-project slaat een marktaandeel heeft van meer dan 50%.

In dergelijk geval zal de Raad van Bestuur oordelen of deze machtspositie binnen de valorisatiemarkt waarop het O&O-project slaat  en met name binnen het grondgebied van het Vlaamse Gewest of binnen een wezenlijk deel daarvan voldoende concurrentieverstorend kan zijn, zodat zij een voldoende reden vormt om steun te weigeren, naar analogie met een wettelijk monopolie, nog vóór de evaluatie van het betreffende project wordt aangevat.

 


Alhoewel één bedrijf alleen een O&O-bedrijfsproject kan uitvoeren, zullen er dikwijls meerdere bedrijfspartners, onderzoekspartners en onderaannemers betrokken zijn. In dat geval is er dus een samenwerking, die de volgende vormen kan aannemen.
  1. Een project kan aangevraagd worden door meerdere bedrijven samen waarbij elk bedrijf een deel van het project uitvoert, en een eigen valorisatierationale heeft. Alle bedrijven zijn in dat geval contractant (bedrijfspartner) en moeten de subsidie-overeenkomst met IWT ondertekenen. Zij staan in voor hun aandeel in de kosten en dragen mee het risico van het project. Zij hebben elk hun deel van de intellectuele eigendomsrechten en zijn in principe ieder verplicht tot voldoende valorisatie van de projectresultaten in Vlaanderen. Tussen bedrijfspartners is een samenwerkingsovereenkomst vereist die de onderlinge rechten en plichten regelt. De aanvragers stellen een coördinator aan die ondermeer instaat voor de interactie met IWT.
  2. Een project kan ook uitgevoerd worden in samenwerking met één (of meerdere) (onderzoeks)partner(s), doorgaans een onderzoeksinstelling, universiteit of hogeschool. Een onderzoekspartner neemt een deel van het projectuitvoering op zich, m.i.v. de strategie, en zijn inbreng is noodzakelijk voor de uitvoering van het project. De onderzoekspartner is echter geen ondertekenaar van de overeenkomst met IWT en wordt 100% vergoed door de bedrijfspartner(s). Alle contractuele verplichtingen zijn de verantwoordelijkheid van de contractant(en). De onderzoekspartner heeft ten aanzien van het IWT geen verplichting tot valorisatie in Vlaanderen. Een onderlinge samenwerkingsovereenkomst tussen de contractant(en) en de onderzoekspartner(s) is vereist. Er moet een aparte begroting en een aparte financiële verslaggeving voor de onderzoekspartner(s) opgesteld worden.
  3. In een project kan de uitvoering van bepaalde delen ook uitbesteed worden aan onderaannemers. De taken van onderaannemers kunnen van verschillende aard zijn, zowel kennisinbreng als eerder routinematige taken : bijvoorbeeld het uitvoeren van routine tests, het bouwen van een deel van een prototype, een deel van het programmeren, ... In het laatste geval nemen onderaannemers geen deel aan de strategie van het project en zijn bijgevolg vlot inwisselbaar. Hun kosten worden voor 100% vergoed door de opdrachtgever. De verantwoording van de kosten geschiedt via een factuur aan de opdrachtgever en de betaling ervan door deze. In geval van grote onderaannemingen zal wel een gedetailleerde verantwoording van de factuur gevraagd worden.

Grensoverschrijdende samenwerking wordt sterk gestimuleerd. Ze kan plaatsvinden onder verschillende vormen : 
  1. Een bedrijf kan beroep doen op een onderzoeksinstelling of een bedrijf als onderaannemer? in het buitenland. Hierbij gelden dezelfde regels als voor de Vlaamse onderzoekspartners of onderaannemers. Let wel op dat een bedrijf dat een eigen valorisatierationale heeft (die bijvoorbeeld blijkt uit het opbouwen van eigen intellectuele eigendom of exploitatie van de resultaten) of zijn eigen risico draagt, niet als een onderaannemer zal beschouwd worden. De facturen die de bedrijfspartner krijgt voor de uitvoering van het project vormen binnen de regels van het kostenmodel een subsidieerbare kost.

    Wanneer het bedrijf buiten Vlaanderen met een Vlaamse bedrijfspartner verbonden is, moet dit bedrijf zijn kosten inbrengen op dezelfde manier als een Vlaams bedrijf en zijn er bijvoorbeeld geen winsttoeslagen e.d. aanvaardbaar.

    In elk geval is het zo dat maximaal 50% van de steun betrekking mag hebben op activiteiten buiten Vlaanderen.
  2. Een bedrijf kan ook samenwerken met bedrijven buiten Vlaanderen in een gemeen­schappelijk, grensoverschrijdend project, elk voor eigen rekening. Dit kan in de eerste plaats gebeuren binnen formele regelingen zoals EUREKA, ERA-netten en andere internationale instrumenten. Indien daar niet de juiste mogelijkheden worden geboden, kan naar een ad hoc oplossing gezocht worden. Het staat een bedrijf dus vrij om een dergelijke samenwerking uit te voeren, maar de kosten van dergelijke buitenlandse partijen zullen natuurlijk niet voor subsidie in aanmerking komen. De niet-Vlaamse bedrijven moeten ofwel zelf voor hun eigen kosten instaan of steun krijgen van hun overheid. Bovendien moeten de exploitatierechten van de Vlaamse bedrijven gewaarborgd blijven.

  1. Patiëntenstudies en preklinische studies worden op dezelfde basis behandeld als andere types van onderzoek. In het algemeen worden onderzoeksactiviteiten die integraal deel uitmaken van product- of procesontwikkeling bijvoorbeeld gesteund onder het regime van prototype/ontwikkeling, aan een basissteunpercentage van 25%. Na de productontwikkeling zijn in meerdere sectoren diverse testen gangbaar, zoals veldtesten, proefruns, pilootruns voor marktacceptatie, opschaling, testen vor accreditatie enz. . Deze testen worden beschouwd als natraject en worden niet gesteund.
  2. Enkel wanneer patiëntenstudies en preklinische studies primair tot doel hebben om gegevens te verzamelen die vereist zijn om productontwikkeling te sturen, maken zij deel uit van productontwikkeling en kunnen ze gesteund worden binnen dit regime. Wanneer patiëntenstudies of preklinische studies tot doel hebben om de wettelijk vereiste van registratie te ondersteunen en er geen rechtstreeks verband is met productontwikkeling, worden ze als een niet steunbare activiteit gezien.
  3. Voor medical devices kan gesteld worden dat het verzamelen van parameters van menseljike proefpersonen vereist voor ontwikkeling van het finale toestel aanvaard wordt. Wettelijk vereiste testen voor registratie van een gefinaliseerd toestel zijn niet steunbaar.
  4. Bij invasieve therapeutica wordt dezelfde logica gevolgd. Fase 0 studies behoren in deze logica tot het steunbare traject. Vroege stadia in de klinische testen zoals fase I en zelfs fase IIa kunnen deel uitmaken van een ontwikkelingstraject indien er sprake is van een eerste principebewijs. Deze situatie kan zich voordoen wanneer er een duidelijke terugkoppeling is naar productontwikkeling, m.a.w. dat gegevens van testen met een experimenteel product gebruikt worden om het product verder te optimaliseren. Dit kan zich ook voordoen wanneer er sprake is van ‘first of a kind’ of van technologieën die als ‘nieuw voor de wereld’ kunnen beschouwd worden. In het grensvlak tussen vroege steunbare testen en niet steunbare testen die een registratiedoel hebben, stelt het IWT zich in regel soepel op naar KMO?’s die doorgaans niet over de capaciteit beschikken om het volledige traject tot marktintroductie in eigen beheer uit te voeren. Voor zo’n bedrijven kan een vroeg principebewijs een absolute vereiste zijn om de financiële middelen te verkrijgen voor verdere valorisatie. Fase III studies kunnen onder geen beding gesteund worden.
  5. In elk geval dient de totale aanvaardbare begroting voor de patiëntenstudies beperkt te blijven tot een redelijk bedrag en zullen kosten van dit type maar aanvaard worden voor zover de proportie tot de totale ontwikkelingskost beperkt blijft (in de orde van grootte van 20% van de totale aanvaardbare IWT-projectkosten).

In deze voorbeelden wordt ingegaan op de valorisatie-aspecten en in het bijzonder de toegevoegde waarde. De inhoudelijke aspecten zijn even belangrijk, maar voor de eenvoud wordt er van uitgegaan dat alle voorbeelden hier op wetenschappelijk vlak goede projecten betreffen en dat de andere aspecten van valorisatie goed scoren. Deze voorbeelden hebben natuurlijk enkel een informatieve waarde en illustreren hoe IWT de valorisatie benadert. Aan deze voorbeelden kunnen geen rechten worden ontleend.
Het is zeker niet de bedoeling dat een aanvrager via cut and paste een scenario opstelt. Elk geval is anders en IWT wil juist de mogelijkheid laten om binnen de eigen bedrijfscontext valabele scenario’s op te bouwen.

  1. De Vlaamse vestiging van een farmaceutisch bedrijf voert een onderzoeksproject uit naar een nieuwe screeningsmethode waarvoor ongeveer 2 miljoen euro steun toegekend wordt. Het IWT-project eindigt met hit selectie. Aansluitend aan het project worden de activiteiten verder gezet in Vlaanderen met een hit-to-lead programma, lead optimalisatie, gevolgd door toxicologie, farmacokinetiek, en uiteindelijk klinische testen. Door de lange ontwikkelingstijd gebeurt marktintroductie van het geneesmiddel 15 jaar na het einde van het IWT-project.

    Met een verwachte ontwikkelingskost met een waarde waarde creatie in Vlaanderen van 30 miljoen euro in een periode van 10 jaar na het einde van dit project zou voor dit voorbeeld de valorisatieverwachting in de a priori inschatting bij selectie voldoende zijn. Voor de contractuele voorwaarde bij valorisatie in het buitenland is zelfs 20 miljoen euro voldoende. Gezien de hoge kosten voor ontwikkeling van een geneesmiddel kan verwacht wordt dat de reële kosten veel hoger zullen liggen. Het feit dat omzet uit verkoop slechts na de het einde van de contractuele periode van maximaal 10 jaar gerealiseerd wordt heeft geen impact op de invulling van de valorisatieverwachting.

Volgende voorbeelden worden louter gegeven als illustratie.  Er kunnen op zich geen rechten aan ontleend worden.  De interpretatie van het karakter van de activiteiten in een project is complex en afhankelijk van nuances.  Op het eerste zicht sterke gelijkende projecten kunnen dus uiteindelijk een andere kwalificatie krijgen.

  1. Een bedrijf uit de metaalsector, wenst zijn proces te optimaliseren met de bedoeling stilstand te verlagen en betere milieu- en energieprestaties te behalen.. Zuiverheid, samenstelling en ook structuur van het materiaal zijn hierin belangrijke parameters.
    In eerste stap wil men vooral komen tot het doorgronden van de relatie tussen het productieproces en de performantie van het geproduceerde materiaal door verbanden te leggen of te verklaren tussen procesparameters en materiaalparameters (structuur bv.). Het inzetten van analysetechnieken kan hierin als ondersteunende taak worden opgenomen. Een ander aspect kan zijn dat men ook de performantie bij latere toepassing hiermee in verband wil brengen. Hier kan het gaan om breuk-, slijtage-, sterktefenomenen, afhankelijk van de applicatie waar men zich toe richt. In een tweede stap zal men dan overgaan tot een concrete nieuwe materiaalsamenstelling voor een geselecteerde toepassing, wat het einddoel van dit projectonderdeel is.
    Dit deel kan omwille van de kennisopbouw door het belang dat gehecht wordt aan het doorgronden van deze stappen en materiaaleigenschappen als een onderzoeksproject beschouwd worden. Een illustratie hiervan is de mogelijkheid dat de kennis kan geëxtrapoleerd worden naar andere materiaalsamenstellingen. Belangrijk is dat men in deze fase inzichten over het “waarom” van bepaalde fenomenen wil opbouwen; deze kennis is niet beschikbaar of toegankelijk.
    Wanneer het project vooral gericht is op verbeterde producten en/of ontwikkeling van bepaalde nieuwe of duidelijk aangepaste stappen of deelprocessen, gaat het om een ontwikkelingsproject, aangezien hier een beperkte kennisverwerving is, ondanks het resterende technologisch risico.
    Deelprocessen die slechts in beperkte mate geoptimaliseerd worden en incrementeel aangepast door bv. kleine machine-aanpassingen, horen tot het niet-steunbare deel van het innovatietraject.
     
  2. Een chemisch bedrijf in basisproducten wenst als eerste een totaal nieuw product te lanceren dat voor dezelfde applicaties kan ingezet worden.
    In een haalbaarheidsstudie wordt de mogelijkheid ten gronde onderzocht van een nieuwe syntheseroute en bijhorende moleculaire structuur. Een selectie van nieuwe moleculen op laboschaal is beschikbaar op het einde van dit traject. Andere activiteiten kunnen worden opgebouwd rond het modelleren zodat correlaties kunnen gelegd worden tussen structuur en performanties ervan. Deze taken maken de hoofdmoot uit van een onderzoeksproject, gezien het hoge risico en de belangrijke kennisverwerving, ook t.o.v. de state-of-the-art. De uiteindelijk geselecteerde materialen zullen hun impact hebben op de processing binnen het bedrijf.
    Bij beperkte noodzakelijke aanpassingen in de processing, bepaalt een opschaling om de resultaten van de materiaalontwikkeling, praktisch bruikbaar te maken naar een concrete toepassing het ontwikkelingskarakter van het project. Uitspraken over het finale productieproces met inbegrip van de beschikbaarheid van het eindmateriaal op beperkte schaal, kunnen tot het innovatiedoel van dit deelproject behoren.
    Verdere opschaling tot industriële schaal en consumententesten horen tot het niet-steunbare deel.

U vindt hier een overzicht van de belangrijkste fiscale O&O-stimuli van de federale overheid ten behoeve van de ondernemingen.

Het overzicht is gebaseerd op basis van de voor het IWT in december 2008 beschikbare informatie. Vanzelfsprekend is dit louter ter informatie bedoeld en kan IWT geen enkele verantwoordelijkheid nemen over de accuraathied van de gegevens.

Het volledige document met alle informatie betreffende de 4 groepen van fiscale steunmaatregelen die u hieronder opgelijst vindt, kan u hier weldra downloaden.

We onderscheiden 4 groepen van fiscale steunmaatregelen:
  1. Groep 1 : Vrijstelling van belasting van premies en kapitaal- en interestsubsidies die door gewestelijke instellingen in het raam van de steun aan onderzoek en ontwikkeling worden toegekend aan vennootschappen (WIB 92, artikel 193ter);
  2. Groep 2 : Vrijstelling doorstorting bedrijfsvoorheffing (WIB92, Artikel 275));
  3. Groep 3 : Investeringsaftrek (WIB 92,Artikel 69) en belastingkrediet voor onderzoek en ontwikkeling
  4. Groep 4: Aftrek voor octrooi-inkomsten (WIB92, Artikel 205);
Voor meer gedetailleerde informatie met betrekking tot de inhoud en de te volgen procedures kan u best contact opnemen met de administratie van de FOD Financiën (www.minfin.fgov.be) of uw eigen belastingconsulent.