Auteurs : Arnold Verbeek - Elissavet Lykogianni - Miriam Van Hoed
Publicatiedatum : april 2008
Het Vlaamse economisch landschap wordt traditioneel gekenmerkt door een sterke aanwezigheid van kleine en middelgrote ondernemingen in veelal traditionele bedrijfstakken. In de grote meerderheid van deze ondernemingen zit innovatie echter nog niet structureel verweven in de bedrijfsactiviteiten. Bovendien bezitten deze ondernemingen meestal onvoldoende competenties en middelen, waardoor in geval van innovatie in vele gevallen beroep moet gedaan worden op externe kennis.
Gegeven het feit dat hierbij gaat om een heterogene groep van ondernemingen met elk hun eigen noden aan innovatieondersteuning, werd ter aanvulling van de directe financiering van KMO-innovatieprojecten binnen het KMO-programma het Vlaams Innovatiesamenwerkingsverband in 2002 in het leven geroepen door de Vlaamse Regering. Met behulp van een uniek netwerk, waarin intermediaire organisaties en kenniscentra die actief zijn op vlak van innovatie-ondersteuning en kennisontwikkeling een cruciale rol spelen, wordt met het Vlaams Innovatie Netwerk (VIN) getracht om door middel van zowel collectieve initiatieven als individuele dienstverlening, het onbenutte innovatiepotentieel in Vlaamse KMO’s te identificeren en te activeren. Daar waar de doelstelling op korte termijn er eveneens in bestaat de kennisoverdracht tussen kennisinstellingen en bedrijven te optimaliseren, wordt beoogd om op lange termijn de concurrentiepositie van de Vlaamse KMO’s te versterken. Onder impuls van de verschillende VIS- subprogramma’s (TIS, TD, RIS en CO) stellen vandaag aldus 500 mensen vanuit meer dan 100 organisaties een brede waaier aan expertise ter ondersteuning van de innovatienoden ten dienste van het Vlaamse KMO-landschap. Op deze manier worden jaarlijks ongeveer 8.000 Vlaamse ondernemingen bereikt.
De beëindiging van de eerste cyclus van 4-jarige subprogramma’s voor thematische innovatiestimulering (TIS) en technologische dienstverlening (TD) vormde de aanleiding voor deze eerste analyse van de effecten van beide subprogramma’s. Hierbij kwam aan bod welke rol het VIS-programma speelt in het Vlaamse landschap voor innovatieondersteuning en in welke mate de aageboden diensten beantwoorden aan de noden van zowel intermediaire organisaties als bedrijven. Verder wordt gekeken in welke mate het VIS-programma zijn langetermijndoelstellingen en beoogde effecten bereikt. Op basis van de resultaten volgen aldus een aantal aanbevelingen om de werking en effectiviteit van het VIS-programma verder te optimaliseren. Hierbij wordt een onderscheid gemaakt tussen aanbevelingen gericht naar het IWT en naar de intermediaire organisaties.