Print deze pagina     Subsidies vergelijken     Verstuur per e-mail

Basisprincipe

Een O&O-bedrijfsproject duurt maximaal 3 jaar; ten laatste na 2 jaar wordt een tussentijdse evaluatie uitgevoerd. De minimale begroting  bedraagt 100.000 euro. De steun voor een project bedraagt maximaal 5 miljoen euro.

De aanvaarde begroting van uw project vormt de basis voor de berekening van de subsidie (zie toelichtingsdocument steunbare activiteiten en basissteun). In essentie omvat uw begroting de personeelkosten van de bedrijfspartners, de overige kosten van de bedrijfspartners en de uitbestedingen bij onderzoeksinstellingen en onderaannemers.

  • Het basissteunpercentage bedraagt 15% voor ontwikkelingsprojecten, gericht op de toepassing van kennis voor nieuwe of vernieuwde producten, processen of diensten. 
  • Het basissteunpercentage bedraagt 40% voor onderzoeksprojecten, gericht op het genereren van nieuwe kennis, die op termijn ook kan bijdragen tot innovatie.

Om verschillende redenen kan extra steun? toegekend worden. Een kleine onderneming kan 20% extra steun krijgen en een middelgrote onderneming (mo) 10%. Als er een substantiële samenwerking is, hetzij met een kmo? hetzij internationaal, kan uw project 10% extra steun krijgen. Ook voor specifieke beleidsdoelstellingen kunt u 10% extra steun krijgen. De gecumuleerde steun wordt wel begrensd op maximaal 60%. Kmo’s kunnen in aanvulling op de subsidie een achtergestelde lening bij PMV-Innovatiemezzanine aanvragen.

 

De steunmaatregel in detail

Het IWT berekent de  steun als een percentage van de aanvaardbare kosten. Die vormen op hun beurt een deel van de geschatte interne en externe kosten die uw bedrijf maakt om het project uit te voeren. De aanvaardbare kosten worden geschat bij de start van het project op basis van het werkprogramma. Ze vormen de begroting van het project.

In het algemeen komen alleen die kosten in aanmerking die reëel en aantoonbaar zijn en rechtstreeks toewijsbaar aan de uitvoering van uw project. Kosten die  betrekking hebben op ruimere activiteiten kunnen maximaal evenredig aan het project worden toegewezen. De kosten van het project dienen trouwens ook te worden verminderd met de eventuele baten ervan. U dient de kosten te registreren tijdens de uitvoering van het project. 

Het IWT betaalt de steun aan de bedrijfspartners uit onder de vorm van zesmaandelijkse voorschotten tijdens de uitvoering van het project.

De uiteindelijk uitgekeerde steun wordt berekend na afloop van het project op basis van de aanvaarde reële kosten, bepaald na verslaggeving door de begunstigden en controles door het IWT. In totaal kan de steun nooit hoger zijn dan vastgelegd  in de overeenkomst.

De kosten bestaan uit de personeelskosten? van de bedrijfspartners, de overige kosten van de bedrijfspartners (die op hun beurt uiteenvallen in de indirecte kosten en de directe kosten) en de uitbestedingen. Die laatste kunnen opgedeeld worden in de kosten voor onderzoeksinstellingen en de andere onderaannemingen. Personeelskosten hebben altijd betrekking op taken die rechtstreeks bijdragen tot de kennisverwerving, met inbegrip van uitvoerende aspecten zoals labowerk e.d. Ondersteunende taken zoals secretariaat, boekhouding, onderhoud en andere algemene bedrijfsfuncties horen daar niet onder. Personeelskosten worden verantwoord door het werkprogramma en worden in de projectbegroting ingebracht a rato van de aanvaarde prestaties in het project.

De overige kosten worden in principe berekend als een percentage van de aanvaardbare personeelskosten, waarbij verschillende kostenregimes kunnen gehanteerd worden. Het gekozen kostenregime wordt vastgelegd in de begroting. Deze keuze beïnvloedt de detaillering en verantwoording bij het opstellen van de begroting, het detail van de financiële verslaggeving en de standaardcontrole. (De graad van controle stijgt naarmate het % overige kosten toeneemt.)

 Voor alle details over de kosten en begroting kunt u het toelichtingsdocument regeling van de kosten raadplegen. 

meer info

 Het bepalen van het basissteunpercentage - 15% voor ontwikkelingsprojecten, 40% voor onderzoeksprojecten - gebeurt in 3 stappen :

  • In een eerste stap worden de niet-steunbare activiteiten geëlimineerd uit het geheel van activiteiten die door u worden uitgevoerd in de context van innovatie.
  • In een tweede stap worden het innovatiedoel en het werkprogramma ontleed; het IWT gaat na of uw project al dan niet dient te worden opgesplitst in (deel)projecten. Het basissteunpercentage is immers hetzelfde voor het hele project, tenzij delen van het project een ander basispercentage vereisen.
  • In een derde stap wordt het basissteunpercentage bepaald.

Niet zozeer de aard van de activiteiten, maar wel hun bijdrage tot de kennisverwerving is hierbij doorslaggevend. Zo kunnen  ondersteunende activiteiten nooit de hoofdmoot van een project uitmaken, maar ze kunnen wel gesteund worden als ze een integraal deel uitmaken van het O&O-traject. Usability onderzoek,  bijvoorbeeld, of het onderzoek van legale aspecten of intellectuele eigendom.

Onderzoeksprojecten bestaan in hoofdzaak uit activiteiten waarbij op een kritische en systematische manier nieuwe (wetenschappelijke, technische, zakelijke en andere) kennis, inzichten en vaardigheden worden opgebouwd. Het doel van deze kennisopbouw is deze in een latere fase te gebruiken bij de ontwikkeling van nieuwe producten, processen of diensten of om bestaande producten, processen of diensten aanmerkelijk te verbeteren.

Een project(deel) wordt als een onderzoeksproject beschouwd indien :

  • het leeuwendeel van het project(deel) gepaard gaat met een belangrijke onzekerheid of risico. Dit kan verbonden zijn aan de uitvoering van het project of het kan gaan om onzekerheden van wetenschappelijke aard zijn. Risico’s die niet in rekening gebracht worden, zijn van commerciële aard, managementrisico’s en onzekerheden over mankracht, timing en begroting;
en

  • het project(deel) betekent een duidelijke of substantiële stap voorwaarts voor uw bedrijf op het vlak van kennis, inzichten en vaardigheden, en minstens een aanwijsbare (eventueel beperkte) vooruitgang t.o.v. de huidige stand van zaken in uw domein of  sector.  

 


Drie mogelijke vormen van extra steun - voor bepaalde beleidsprioriteiten, voor kmo’s en voor samenwerking - zijn cumuleerbaar.

10% extra steun kan worden toegekend aan projecten die voldoen aan één of meer beleidsprioriteiten:

  1. projecten gericht op de automobielsector (zie handleiding);
  2. projecten gericht op de lucht- en ruimtevaart (zie handleiding);
  3. projecten met een belangrijke component van Duurzame Technologische Ontwikkeling (zie handleiding).
  1. projecten waarin wordt samengewerkt met één of meerdere binnen- of buitenlandse onderzoeksinstelling(en) en waarbij het aandeel van deze onderzoeksinstelling(en) in de aanvaardbare kosten >20% bedraagt.


10% extra steun kan worden toegekend aan kmo's en 20% aan ko's.


10% extra steun kan worden toegekend voor een daadwerkelijke samenwerking tussen ten minste twee onderling onafhankelijke ondernemingen (uitbesteding valt hier niet onder). De samenwerking moet voldoen aan volgende voorwaarden:

  1. geen van de ondernemingen moet meer dan 70% van de kosten van het samenwerkingsproject voor haar rekening nemen;
  2. de samenwerking betrekt ten minste één kmo of er is sprake is van grensoverschrijdende samenwerking: de O&O-activititeiten vinden in ten minste twee verschillende lidstaten plaats.